Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:1547
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:1547 → ECLI:NL:GHSHE:2023:2165
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:1547 → ECLI:NL:PHR:2025:1027
Inhoudsindicatie
Gewapende overval op lachgasverkoper. Medeplichtigheid aan medeplegen diefstal met geweld, art. 312.2.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Bewijsvoering tegenstrijdig over moment waarop verdachte de auto heeft verplaatst. 2. Bevatten voor bewijs gebruikte verklaringen van getuigen ontoelaatbare conclusies, gissingen en/of meningen? 3. Kan voor bewijs redengevende omstandigheid dat verdachte als enige rijbewijs had worden afgeleid uit gebruikte bewijsmiddelen? 4. Was opzet van verdachte zowel gericht op het behulpzaam zijn bij het plegen van delict als op de door mededaders gepleegde diefstal met geweld? HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Uit bewijsvoering blijkt dat hof heeft vastgesteld dat verdachte, nadat lachgasverkoper met zijn bestelbus de parkeerplaats was opgereden, de auto een stukje heeft verplaatst zodat deze achter bestelbus stond. Dat getuige heeft verklaard dat hij auto heeft zien verplaatsen vóórdat lachgasverkoper was gearriveerd, maakt dat niet anders. ’s Hofs bewijsvoering is dan ook niet tegenstrijdig. Ad 2. Hof mocht van aarzelingen over intenties van verdachten voor bewijs geen gebruik maken. Geen reden voor cassatie, nu hof uit waarnemingen van getuige kennelijk heeft afgeleid dat verdachten het busje hebben verplaatst “om iets makkelijk uit busje te kunnen uitladen en wegrijden”, en zodoende conclusie van getuige tot de zijne heeft gemaakt. Bovendien geldt dat bewijsvoering ook zonder deze conclusie van getuige niet onbegrijpelijk is. Ad 3. Dat hof o.g.v. vastgestelde f&o, in onderling verband en samenhang beschouwd, tot oordeel is gekomen dat verdachte de auto moest besturen waarmee dadergroep met buit zou vluchten, is niet onbegrijpelijk. Ad 4. Door hof vastgestelde f&o, in onderling verband beschouwd, hebben hof tot oordeel gebracht dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op diefstal met geweld en daarbij opzettelijk behulpzaam is geweest. Dat oordeel is (onder vastgestelde f&o) niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.280 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/02616
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 juni 2023, nummer 20-000607-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
2.1
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het bewezenverklaarde.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 227 dagen.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 220 dagen beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.