Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:1429
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:1429 → ECLI:NL:PHR:2025:679
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag (€ 700) onder klager t.z.v. diefstal van fiets d.m.v. verbreking, waarna OM heeft beslist tot teruggave van geldbedrag aan klager met verrekening. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 134.2.a Sv jo. 6:1:13 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG kan HR cassatieberoep van klager niet in behandeling nemen. CAG: Uit ingewonnen inlichtingen blijkt dat OM heeft beslist tot teruggave van inbeslaggenomen geldbedrag en tot uitbetaling van dit bedrag aan Centraal Justitieel Incasso Bureau ter verrekening met bedragen die klager aan de staat verschuldigd is. Door toepassing van verrekening a.b.i. art. 6:1:13 Sv is geldbedrag aan klager teruggegeven. Hieruit volgt dat beslag is geëindigd. Dat geldbedrag bij CJIB is terechtgekomen en niet bij klager, maakt dit niet anders. Klager n-o.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.500 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/03681 B
Datum 30 september 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2023, nummer RK 23/017888, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de klager.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot nietontvankelijkverklaring van de klager in zijn cassatieberoep.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de klager niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.