Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:127
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:127 → ECLI:NL:PHR:2024:1086
Inhoudsindicatie
Medeplegen erfvredebreuk door betonblokken weg te slepen bij voormalige standplaats van woonwagens en zich wederrechtelijk toegang te verschaffen tot besloten erf van gemeente, art. 138.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht t.a.v. “bij gemeente in gebruik” zijn van erf. 2. Bewijsklachten t.a.v. “besloten erf”, “wederrechtelijk vertoeven” en “zich op vordering door of vanwege rechthebbende niet verwijderen” en verweer over uitspraak voorzieningenrechter. Ad 1. Om redenen vermeld in HR:2025:124 leidt middel niet tot cassatie. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Hof heeft geoordeeld dat perceel was afgesloten door middel van betonblokken en daarmee was afgescheiden van omgeving, zodat op dat moment sprake was van besloten erf a.b.i. art. 138.1 Sr. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarmee heeft hof verwerping van verweer t.a.v. “besloten erf” toereikend gemotiveerd. Voorts heeft hof gemotiveerd waarom bestanddelen “wederrechtelijk vertoeven” en “zich op vordering door of vanwege rechthebbende niet verwijderen” zijn vervuld. Hof heeft in dat verband vastgesteld dat gemeente een brief heeft gestuurd met sommatie om erf uiterlijk 2 dagen later te verlaten. Uit bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten meerdere malen brieven hebben ontvangen van gemeente en ook dat zij deze brieven hebben gelezen en dus op de hoogte waren van inhoud. Aldus heeft hof de verwerping van desbetreffend toereikend verweer gemotiveerd. Tenslotte wordt met verweer over uitspraak voorzieningenrechter betoogd dat schorsing van de door gemeente opgelegde last onder dwangsom die tot 16-10-2018 heeft voortgeduurd, meebrengt dat verdachte en medeverdachten zich in periode tussen 23-9-2018 en 16-10-2018 niet aan strafbaar feit schuldig hebben gemaakt. Die opvatting is onjuist. Hof had verweer daarom slechts kunnen verwerpen. Volgt verwerping. Samenhang met 22/02945, 22/02946 en 22/02947.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2025:124 Hoge Raad 28-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.592 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/02948
Datum 28 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 juli 2022, nummer 20-001819-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.H.S. Brinkman, advocaat in Heerlen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat sprake was van het “bij de gemeente [plaats] in gebruik” zijn van het in de bewezenverklaring bedoelde erf.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 22/02945, ECLI:NL:HR:2025:124.
3Beoordeling van het eerste, het derde en het vierde cassatiemiddel
3.1
De cassatiemiddelen komen met verschillende klachten op tegen de bewezenverklaring.
3.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2, 4, 6 en 7.
4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 500 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2025.