Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:1209
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:1209 → ECLI:NL:PHR:2025:597
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Medeplegen invoer van marihuana (art. 4.1 jo. 11.2 Opiumwet 1960 BES) en medeplegen voorhanden hebben van munitie (art. 3.1 jo. 11 Vuurwapenwet BES) op Bonaire. Ontvankelijkheid cassatieberoep, verstek in hoger beroep en verschijning van raadsman. HR: Om redenen vermeld in CAG kan HR cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen. CAG: Tegen verdachte is in h.b. verstek verleend, waarna tegen hem verstekvonnis is gewezen. O.g.v. art. 10.2 Rijkswet staat voor verdachte, die in h.b. bij verstek is veroordeeld, geen cassatieberoep open. Omstandigheid dat raadsman van ttz. in h.b. niet verschenen verdachte aldaar woord ter verdediging heeft gevoerd, leidt niet tot ander oordeel. Verdachte n-o. Vervolg op HR:2021:1661.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.552 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/04341 C
Datum 9 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire , Sint Eustatius en Saba van 26 oktober 2023, nummer H 176/2019, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2025.