Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:956
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:956 → ECLI:NL:PHR:2024:435
Inhoudsindicatie
Zware mishandeling (art. 302.1 Sr) en vernieling van auto (art. 350.1 Sr). Nietigheid uitspraak, nu beëdiging raadsheer-plaatsvervanger die zitting had in meervoudige kamer hof niet had plaatsgevonden waardoor benoeming niet was ingegaan. Is uitspraak hof gewezen door vereist aantal raadsheren (art. 5.2 RO)? Uit stukken blijkt dat bedoelde persoon bij koninklijk besluit van 14-3-2023 is benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger “met als datum van indiensttreding de datum van beëdiging”. Op moment van uitspraak hof (op 27-10-2023) was deze persoon niet beëdigd als raadsheer-plaatsvervanger, zodat betreffende benoeming nog niet was ingegaan. Dat betekent dat arrest van meervoudige kamer hof niet door 3, maar door 2 raadsheren is gewezen en dat die uitspraak daarom nietig is o.g.v. art. 5.2 RO (vgl. HR:2017:2561). Volgt vernietiging en terugwijzing.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:2561 Hoge Raad 06-10-2017
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:PHR:2025:325 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:326 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (2.867 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/04238
Datum 2 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2023, nummer 21-005567-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het arrest van het hof nietig is, omdat één van de personen die dit arrest heeft gewezen, op het moment van de uitspraak niet als raadsheer-plaatsvervanger beëdigd was, waardoor de benoeming van deze persoon tot raadsheer-plaatsvervanger nog niet was ingegaan.
2.2
Uit de stukken die zijn weergegeven in de conclusie van de procureur-generaal, blijkt dat de hiervoor bedoelde persoon bij koninklijk besluit van 14 maart 2023 is benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger “met als datum van indiensttreding de datum van beëdiging”. Op het moment van de uitspraak van het hof (op 27 oktober 2023) was deze persoon niet beëdigd als raadsheer-plaatsvervanger, zodat de betreffende benoeming nog niet was ingegaan. Dat betekent dat het arrest van de meervoudige kamer van het hof niet door drie, maar door twee raadsheren is gewezen en dat die uitspraak daarom nietig is op grond van artikel 5 lid 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie (vgl. HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2561).
2.3
Het cassatiemiddel slaagt.
3Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2024.