Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:774
2024-05-31
Bestuursrecht; Belastingrecht
22/02936
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2024:774 → ECLI:NL:GHAMS:2022:1896
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:774 → ECLI:NL:PHR:2023:1063
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:774 → ECLI:NL:PHR:2023:1064
Inhoudsindicatie
Awb; art. 8:42; is een begroting een op de zaak betrekking hebbend stuk; wijze waarop stuk in geding moet worden gebracht; volstaat het versturen van een link naar de internetpagina waarop het desbetreffende stuk is te vinden?; ECLI:NL:HR:2024:567.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1896 Gerechtshof Amsterdam 09-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2023:1063 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1064 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.963 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02936
Datum 31 mei 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN HET HOOGHEEMRAADSCHAP AMSTEL, GOOI EN VECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 juni 2022, nr. 20/00645, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 18/6895) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de watersysteemheffing ingezetenen, de aan belanghebbende voor dat jaar opgelegde aanslag in de watersysteemheffing gebouwd en de aan belanghebbende voor dat jaar opgelegde aanslag in de zuiveringsheffing woonruimte.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 10 november 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1
Het tweede middel faalt voor zover het berust op het uitgangspunt dat een bestuursorgaan alleen aan artikel 8:42 Awb kan voldoen door een op de zaak betrekking hebbend stuk in papieren vorm aan de bestuursrechter te doen toekomen. Dat uitgangspunt is onjuist gelet op het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/00849, ECLI:NL:HR:2024:567.
2.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, J. Wortel, M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2024.
ECLI:NL:GHAMS:2022:1896.
ECLI:NL:PHR:2023:1063, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1064.
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02936
Datum 31 mei 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN HET HOOGHEEMRAADSCHAP AMSTEL, GOOI EN VECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 juni 2022, nr. 20/00645, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 18/6895) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de watersysteemheffing ingezetenen, de aan belanghebbende voor dat jaar opgelegde aanslag in de watersysteemheffing gebouwd en de aan belanghebbende voor dat jaar opgelegde aanslag in de zuiveringsheffing woonruimte.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 10 november 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1
Het tweede middel faalt voor zover het berust op het uitgangspunt dat een bestuursorgaan alleen aan artikel 8:42 Awb kan voldoen door een op de zaak betrekking hebbend stuk in papieren vorm aan de bestuursrechter te doen toekomen. Dat uitgangspunt is onjuist gelet op het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/00849, ECLI:NL:HR:2024:567.
2.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, J. Wortel, M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2024.
ECLI:NL:GHAMS:2022:1896.
ECLI:NL:PHR:2023:1063, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1064.