Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:768
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2024:768 → ECLI:NL:GHAMS:2022:2533
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:768 → ECLI:NL:PHR:2024:410
Inhoudsindicatie
Diefstal met geweld (art. 312.1 Sr) en diefstal (art. 310 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht pleegplaats. Kan uit bewijsmiddelen volgen dat diefstallen in Amsterdam zijn gepleegd? HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Uit b.m. volgt dat diefstallen tijdens een treinreis van Rotterdam naar Amsterdam zijn gepleegd, maar niet op welke plaats op dat traject. Uit b.m. volgt dus niet dat feiten in Amsterdam zijn begaan. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden, omdat na terugwijzing de tll kan worden gewijzigd in die zin dat feiten in Amsterdam of “in elk geval in Nederland” zijn gepleegd, waarna o.b.v. gebruikte b.m. tot bewezenverklaring kan worden gekomen. Volgt verwerping. CAG gaat in op ontvankelijkheid cassatieberoep (verschoonbare termijnoverschrijding).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.504 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/04138
Datum 28 mei 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 augustus 2022, nummer 23-002663-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde “te Amsterdam” is begaan.
2.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 11 tot en met 16.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2024.