Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:703
2024-06-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
23/02949
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2024:703 → ECLI:NL:GHDHA:2023:1193
Inhoudsindicatie
Wet WOZ; artikel 40, lid 2; gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen; niet-behandelde grief in het principale hoger beroep over wegingsfactor.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-11-2021
- ECLI:NL:HR:2023:1052 Hoge Raad 18-08-2023
Geciteerd door (83)
- ECLI:NL:PHR:2026:716 Parket bij de Hoge Raad 10-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:260 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:235 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:236 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:233 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:238 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:256 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:262 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:259 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:237 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:258 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:255 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:257 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:231 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:249 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:225 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:224 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:240 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:241 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:243 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:254 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:245 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:253 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:250 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:246 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:252 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:244 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:248 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:242 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:239 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:251 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:247 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:221 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:83 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:223 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:266 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:270 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:222 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:263 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:264 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:265 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:267 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:268 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:269 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:226 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:230 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:227 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:232 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:228 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:234 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:261 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:229 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7070 Rechtbank Midden-Nederland 29-12-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3467 Gerechtshof Amsterdam 18-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2835 Gerechtshof Den Haag 02-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6995 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2223 Gerechtshof Den Haag 21-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1074 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1074 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6427 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-10-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (8.345 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/02949
Datum 14 juni 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE REGIONALE BELASTING GROEP
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 juni 2023, nr. BK-22/00215, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep (hierna: de heffingsambtenaar) tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 20/6547) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2020. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) per waardepeildatum 1 januari 2019 voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 198.000.
2.2
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking. Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift verzocht om toezending van het taxatieverslag, de opbouw en een controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de grondstaffel, en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende in de bezwaarfase alleen het taxatieverslag toegezonden.
2.3
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Volgens de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Tijdens het onderzoek ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende erkend dat de grondstaffel niet een op de zaak betrekking hebbend stuk betreft. De Rechtbank heeft verder geoordeeld dat de heffingsambtenaar de overige gevraagde stukken op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ aan belanghebbende had moeten verstrekken. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten. Omdat belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, heeft de Rechtbank op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht aanleiding gezien de proceskostenvergoeding te verminderen. Omdat het volgens de Rechtbank redelijk is om de helft van de gebruikelijke vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toe te kennen, is de Rechtbank bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding uitgegaan van een wegingsfactor van 0,5.
3Procedure voor het Hof
3.1
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroep was de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding van proceskosten in geschil.
3.2
De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. In het incidentele hoger beroep was in geschil of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de gevraagde stukken voorafgaand aan het hoorgesprek aan belanghebbende had moeten toesturen.
3.3
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de heffingsambtenaar op grond van het bepaalde in artikel 40 van de Wet WOZ niet verplicht was naast het taxatieverslag ook de andere stukken waarom belanghebbende tijdens de bezwaarfase heeft verzocht, voorafgaand aan het horen toe te zenden.
3.4
Gelet op de gegrondbevinding van het incidentele hoger beroep, is het Hof niet toegekomen aan de beoordeling van de grief van belanghebbende in het principale hoger beroep. Volgens het Hof heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende ten onrechte gegrond verklaard en de heffingsambtenaar daarom ten onrechte veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, behalve voor zover deze betrekking heeft op de waarde van de woning.
4Beoordeling van de middelen
4.1
Het tweede middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de heffingsambtenaar met het toezenden van het taxatieverslag aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft voldaan. Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 van het arrest van de Hoge Raad van 18 augustus 2023.
4.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.3.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.3.2
De grief in het principale hoger beroep van belanghebbende, aan de beoordeling waarvan het Hof niet is toegekomen, hield in dat de Rechtbank bij het vaststellen van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand ten onrechte is uitgegaan van de wegingsfactor 0,5. Belanghebbende betoogde dat uit richtlijnen, opgenomen in een bijlage bij een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315, volgt dat de door de Rechtbank opgegeven reden geen aanleiding is af te wijken van wegingsfactor 1. Dat betoog berustte kennelijk op de onjuiste veronderstelling dat de Rechtbank gebonden is aan de door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch geformuleerde richtlijnen.
4.3.3
Aangezien de waarde van de woning in hoger beroep niet meer in geschil was, moet de bestreden uitspraak worden vernietigd behalve voor zover deze betrekking heeft op de waarde van de woning. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
5Proceskosten
Het Dagelijks Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof.
6Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behalve voor zover deze betrekking heeft op de waarde van de woning,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
- draagt het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- draagt de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136,
- veroordeelt het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.750 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 875 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024.
HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.
BELASTINGKAMER
Nummer 23/02949
Datum 14 juni 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE REGIONALE BELASTING GROEP
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 juni 2023, nr. BK-22/00215, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep (hierna: de heffingsambtenaar) tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 20/6547) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2020. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) per waardepeildatum 1 januari 2019 voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 198.000.
2.2
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking. Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift verzocht om toezending van het taxatieverslag, de opbouw en een controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de grondstaffel, en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende in de bezwaarfase alleen het taxatieverslag toegezonden.
2.3
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Volgens de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Tijdens het onderzoek ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende erkend dat de grondstaffel niet een op de zaak betrekking hebbend stuk betreft. De Rechtbank heeft verder geoordeeld dat de heffingsambtenaar de overige gevraagde stukken op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ aan belanghebbende had moeten verstrekken. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten. Omdat belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, heeft de Rechtbank op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht aanleiding gezien de proceskostenvergoeding te verminderen. Omdat het volgens de Rechtbank redelijk is om de helft van de gebruikelijke vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toe te kennen, is de Rechtbank bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding uitgegaan van een wegingsfactor van 0,5.
3Procedure voor het Hof
3.1
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroep was de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding van proceskosten in geschil.
3.2
De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. In het incidentele hoger beroep was in geschil of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de gevraagde stukken voorafgaand aan het hoorgesprek aan belanghebbende had moeten toesturen.
3.3
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de heffingsambtenaar op grond van het bepaalde in artikel 40 van de Wet WOZ niet verplicht was naast het taxatieverslag ook de andere stukken waarom belanghebbende tijdens de bezwaarfase heeft verzocht, voorafgaand aan het horen toe te zenden.
3.4
Gelet op de gegrondbevinding van het incidentele hoger beroep, is het Hof niet toegekomen aan de beoordeling van de grief van belanghebbende in het principale hoger beroep. Volgens het Hof heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende ten onrechte gegrond verklaard en de heffingsambtenaar daarom ten onrechte veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, behalve voor zover deze betrekking heeft op de waarde van de woning.
4Beoordeling van de middelen
4.1
Het tweede middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de heffingsambtenaar met het toezenden van het taxatieverslag aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft voldaan. Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 van het arrest van de Hoge Raad van 18 augustus 2023.
4.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.3.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.3.2
De grief in het principale hoger beroep van belanghebbende, aan de beoordeling waarvan het Hof niet is toegekomen, hield in dat de Rechtbank bij het vaststellen van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand ten onrechte is uitgegaan van de wegingsfactor 0,5. Belanghebbende betoogde dat uit richtlijnen, opgenomen in een bijlage bij een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315, volgt dat de door de Rechtbank opgegeven reden geen aanleiding is af te wijken van wegingsfactor 1. Dat betoog berustte kennelijk op de onjuiste veronderstelling dat de Rechtbank gebonden is aan de door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch geformuleerde richtlijnen.
4.3.3
Aangezien de waarde van de woning in hoger beroep niet meer in geschil was, moet de bestreden uitspraak worden vernietigd behalve voor zover deze betrekking heeft op de waarde van de woning. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
5Proceskosten
Het Dagelijks Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof.
6Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behalve voor zover deze betrekking heeft op de waarde van de woning,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
- draagt het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- draagt de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136,
- veroordeelt het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.750 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 875 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024.
HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.