Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:561
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:561 → ECLI:NL:PHR:2024:66
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Medeplegen vervoeren en aanwezig hebben van ruim 110 kilo cocaïne in Aruba, art. 3.1.B en 3.1.C Landsverordening verdovende middelen. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Berust bewezenverklaring op innerlijk tegenstrijdige bewijsmiddelen? 2. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. besturen van auto door verdachte, art. 402.2 SvA. 3. Bewijsklacht opzet. Is bewezenverklaring toereikend gemotiveerd in het licht van verweer over wetenschap van verdachte van aanwezigheid van cocaïne? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Middel mist feitelijke grondslag, nu van gestelde innerlijke tegenstrijdigheden geen sprake is. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Standpunt wordt genoegzaam door de voor bewijs gebruikte b.m. weerlegd. Hof heeft immers (mede onder verwijzing naar camerabeelden, waaruit volgt dat auto achter pick-up met boottrailer aanreed) overwogen dat uit gebezigde b.m. blijkt dat verdachte toen bestuurder was van die auto. Die feitelijke vaststelling, die in cassatie verder niet op juistheid kan worden onderzocht, is gelet op inhoud van b.m. niet onbegrijpelijk. Ad 3. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Feitelijk oordeel van hof dat in het licht van selectie- en waarderingsvrijheid van feitenrechter niet onbegrijpelijk is. Hof heeft genoegzaam gemotiveerd waarom het van oordeel is dat verdachte wetenschap had van aanwezigheid van cocaïne in “ice-jugs” en hij opzet had. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.370 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/00652 C
Datum 9 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 29 november 2022, nummer H 154/2019, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.T.C. van Kampen, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat deze op innerlijk tegenstrijdige bewijsmiddelen berust.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3-13.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (de Hoge Raad begrijpt: artikel 402 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering van Aruba) niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3-6 en 19-21.
4Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat, mede in het licht van een gevoerd verweer over de wetenschap van de verdachte van de aanwezigheid van cocaïne, de bewezenverklaring ten aanzien van het opzet ontoereikend is gemotiveerd.
4.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3-6 en 22-26.
5Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
6Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2024.