Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2024:552

2024-04-16 Strafrecht 22/01035
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2024-04-16
Publicatiedatum
2024-04-05
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
22/01035
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | SR-Updates.nl 2024-0082 | JIN 2024/62 met annotatie van mr. C. van Oort | RvdW 2024/484

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag door tijdens vechtpartij een ander minutenlang tegen zijn hoofd te trappen als hij bewusteloos op straat ligt, nadat verdachte door die ander diens woning is uitgewerkt waarbij verdachte met staafje op zijn hoofd is geslagen, art. 45 en 287 Sr. Ontslag van alle rechtsvervolging in eerste aanleg. Noodweerexces, art. 41.2 Sr. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft het niet aannemelijk geacht dat acties van verdachte vanaf moment dat slachtoffer op straat lag het gevolg zijn van hevige gemoedsbeweging. Hof heeft geoordeeld dat het door verdachte over een langere periode met kracht tegen hoofd schoppen terwijl slachtoffer bewusteloos op de grond ligt niet geboden was en naar de kern bezien aanvallend en niet noodzakelijk voor zelfverdediging was, en niet in redelijke verhouding stond tot aard en intensiteit van de op dat moment mogelijk aanwezige hevige gemoedsbeweging. ‘s Hofs oordeel dat poging doodslag niet kan worden aangemerkt als ‘onmiddellijk gevolg’ van veronderstelde (hevige) gemoedsbeweging, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.150 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 22/01035

Datum 16 april 2024




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 maart 2022, nummer 20-002882-19, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W. Römelingh, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.




2Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweerexces.


2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.




3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.



4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024.