Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2024:549

2024-04-09 Strafrecht 21/01835
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2024-04-09
Publicatiedatum
2024-04-05
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
21/01835
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | SR-Updates.nl 2024-0067 | RvdW 2024/453

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Medeplegen woninginbraak waarbij o.a. reservesleutels van waardevolle auto’s zijn gestolen, art. 311.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over ontbreken bewijs dat verdachte in of nabij de woning is geweest op het moment dat inbraak plaatsgevonden zou hebben, art. 359.2 Sv. 2. Bewijsklacht medeplegen. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Hof heeft vastgesteld dat verdachte omstreeks 00:51 uur met medeverdachte stapvoets voorbij woning reed waar tussen 17:15 uur en 23:00 uur was ingebroken. Kort daarna is verdachte met medeverdachte aangetroffen in auto die verdachte bestuurde met daarin paspoorten van bewoners. Medeverdachte beschikte kennelijk over diverse bij inbraak ontvreemde goederen, gelet op de met zijn telefoon verstuurde foto’s van autosleutels die waren ontvreemd. Hof heeft uit bericht op telefoon van verdachte (“ik heb net wat kleins gepakt maar we moeten terug”) afgeleid dat dit verwijst naar daderschap van verdachte en impliceert dat verdachte niet alleen heeft geopereerd. Verdachte heeft voor al deze omstandigheden geen aannemelijke verklaring gegeven. ’s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat sprake is van medeplegen is, tegen achtergrond dat er geen contra-indicaties m.b.t. medeplegen door verdachte zijn gebleken, niet onbegrijpelijk. Tot nadere motivering was hof niet gehouden. Volgt verwerping.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.891 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 21/01835

Datum 9 april 2024




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 april 2021, nummer 22-001510-18, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.W. Koevoets, advocaat te Hoek, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het ontbreken van bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde inbraak. Het tweede cassatiemiddel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.


2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.




3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden.



4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vier maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.




Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2024.