Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2024:514

2024-04-09 Strafrecht 23/02337
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2024-04-09
Publicatiedatum
2024-03-29
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
23/02337
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2024/464

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Herziening. Opzettelijk aanwezig hebben van 128 hennepplanten in door verdachte gehuurde woning, art. 3.C Opiumwet. Aangevoerd wordt dat hof aanvrager zou hebben vrijgesproken als het bekend was geweest met verklaring die partner van aanvrager als getuige op tz. van hof heeft afgelegd in met deze strafzaak samenhangende ontnemingszaak. Art. 457.1.c Sv. HR: Op gronden vermeld in CAG moet het in aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv. CAG: Standpunt in aanvraag dat ernstig vermoeden is ontstaan dat onderzoek van zaak tot vrijspraak van aanvrager had geleid indien hof destijds bekend was geweest met getuigenverklaring van zijn partner is in dit specifieke geval overtuigend. Daarbij wordt i.h.b. in aanmerking genomen overwegingen van hof zelf in laatst behandelde ontnemingszaak, waarin hof n.a.v. getuigenverklaring in zoveel woorden heeft meegewogen dat aanvrager destijds in andere woning verbleef, ernstig ziek was en constant hulp en steun behoefde. HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaak naar hof. Vervolg op HR:2022:471 (strafzaak).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.764 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 23/02337 H

Datum 9 april 2024




ARREST




op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 september 2020, nummer 23-003596-18, ingediend door A.W.J. van Galen, advocaat in Amsterdam,



namens




[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum ] 1979,
hierna: de aanvrager.





1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het hof heeft de aanvrager veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod tot een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.



2De aanvraag tot herziening

2.1
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.


2.2
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat het ernstige vermoeden bestaat dat het hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken als het bekend was geweest met de verklaring die de partner van de aanvrager als getuige op de terechtzitting van het gerechtshof heeft afgelegd in de met deze strafzaak samenhangende ontnemingszaak.




3De conclusie van de advocaat-generaal

3.1
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren en daarbij voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van 22 september 2020 van het gerechtshof Amsterdam in de strafzaak van de aanvrager zal bevelen, en de zaak op de voet van artikel 472, tweede lid, Sv in verbinding met artikel 471, eerste lid, Sv zal verwijzen naar een ander gerechtshof, opdat de zaak opnieuw zal worden berecht en afgedaan.


3.2
De raadsman van de aanvrager heeft daarop schriftelijk gereageerd.




4Beoordeling van de aanvraag

4.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.


4.2
Op de door de advocaat-generaal in zijn conclusie vermelde gronden moet het in de aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is daarom gegrond.





5Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
- beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van het gerechtshof;
- verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op de voet van artikel 472 lid 2 Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.




Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2024.