Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2024:502

2024-04-09 Strafrecht 22/01318
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2024-04-09
Publicatiedatum
2024-03-26
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
22/01318
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2024/460

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Feitelijke aanranding van eerbaarheid van zwakbegaafd 19-jarig meisje dat bij haar woning op haar moeder staat te wachten door 57-jarige verdachte, art. 246 Sr. Bewijsklachten opzet. Innerlijke tegenstrijdigheid bewijsvoering en verweer t.a.v. voorwaardelijk opzet op dwingen tot dulden van ontuchtige handelingen a.b.i. art. 246 Sr. HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (2.621 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 22/01318

Datum 9 april 2024




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 maart 2022, nummer 20-000553-21, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.


3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.




4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2024.