Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2024:410

2024-03-19 Strafrecht 22/01059
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2024-03-19
Publicatiedatum
2024-03-14
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
22/01059
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2024/370

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Bewijsklacht. Kan uit omstandigheden dat (i) besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs op 3-1-2013 per aangetekende brief is verzonden naar GBA-adres van verdachte; (ii) rijbewijs van verdachte op 6-5-2013 is ingeleverd bij CBR en nadien niet is teruggegeven; (iii) verdachte in periode tussen ongeldigverklaring en pleegdatum (17-4-2019) in 2 zaken onherroepelijk is veroordeeld voor 3 overtredingen van art. 9.2 WVW 1994; (iv) in die periode de in deze zaken opgelegde taakstraffen ten uitvoer zijn gelegd; en (v) in brief van CBR van 14-6-2018 aan verdachte staat dat CBR de verdachte (na onderzoek van zijn medische situatie) geschikt heeft verklaard om motorrijtuigen van categorie B te besturen en dat hij binnen jaar een nieuw rijbewijs kan aanvragen, worden afgeleid dat verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs op 17-4-2019 ongeldig was verklaard? HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (2.490 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 22/01059

Datum 19 maart 2024




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 maart 2022, nummer 21-005234-19, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben T.P.A.M. Wouters en R.I. Takens, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman Wouters heeft daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.


3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.




4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2024.