Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:35
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:35 → ECLI:NL:PHR:2023:1220
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal met geweld, art. 312.2.2 Sr. 1. Afwijzing van een bij (te laat ingediende) appelschriftuur gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd voorwaardelijk verzoek tot aanvullend deskundigenonderzoek en onderzoek aan alle stukken van overtuiging, o.g.v. noodzaakcriterium (verzoek is onvoldoende onderbouwd). 2. Afwijzing van een bij (te laat ingediende) appelschriftuur gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd voorwaardelijk verzoek tot horen van 4 getuigen, op de grond dat onvoldoende is onderbouwd waarom er enige noodzaak is om onderzoekswens toe te wijzen (ontbrekende onderbouwing). 3. Bewijsklacht. Verweren m.b.t. betrouwbaarheid van aangevers en redengevendheid voor bewijs van NFI-rapport en verklaringen van NFI-deskundigen. HR: art. 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.650 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 21/03578
Datum 16 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2021, nummer 21-003558-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. van Stratum, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en tien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2024.