Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:237
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:237 → ECLI:NL:PHR:2024:94
Inhoudsindicatie
Seksueel binnendringen bij vrouw, die door nuttigen van grote hoeveelheid alcohol in staat van verminderd bewustzijn verkeert, in kelderbox bij woning van zijn moeder, art. 243 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Verkeerde slachtoffer “in staat van verminderd bewustzijn”? 2. Bewijskracht “informatief gesprek”, art. 344.1.2 Sv. Kon hof p-v van bevindingen “informatief gesprek zeden” voor bewijs gebruiken? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Omstandigheid dat slachtoffer verkeerde in staat van verminderd bewustzijn, heeft hof naast toxicologisch rapport gebaseerd op verklaring van slachtoffer, verklaring van huisgenoot van slachtoffer, verklaringen van buurman van moeder van verdachte, verklaringen van verdachte en eigen waarneming van hof van camerabeelden. ’s Hofs oordeel dat slachtoffer in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, is verweven met de aan hof voorbehouden feitelijke waardering van voorhanden bewijsmateriaal. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Het gaat om p-v in de zin van art. 344.1.2 Sv. Dat is een p-v, in wettelijke vorm opgemaakt, behelzende mededeling van feiten en omstandigheden die verbalisanten zelf hebben waargenomen of ondervonden. In dit geval is dat een verslag van hetgeen verbalisanten tijdens informatief gesprek van slachtoffer hebben gehoord over hetgeen haar is overkomen. Stelling dat dergelijke processen-verbaal categorisch niet als wettig bewijsmiddel zouden mogen worden aangemerkt, vindt geen steun in het recht. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat geen sprake was van responsieplichtig verweer en inhoud van informatief gesprek, althans v.zv. opgenomen als b.m., als betrouwbaar beoordeeld. Dat oordeel is, ook in het licht van hetgeen ttz. is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:8767 Rechtbank Amsterdam 14-11-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (2.500 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/00614
Datum 16 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 februari 2022, nummer 22-004636-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.Y. Taekema, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring voor zover het hof heeft bewezenverklaard dat het slachtoffer verkeerde “in staat van verminderd bewustzijn”. Het tweede cassatiemiddel klaagt over het gebruik voor het bewijs van een proces-verbaal van bevindingen “informatief gesprek zeden”. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.2-2.12.
3Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2024.