Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:183
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:183 → ECLI:NL:PHR:2023:1092
Inhoudsindicatie
Mishandeling van zijn dochtertje, gedurende periode van ruim 4 jaar door haar met kracht tegen lichaam te slaan, schoppen en knijpen, meermalen gepleegd (art. 300.1 jo. 304.1 (oud) Sr), seksueel misbruik van 10- of 11-jarig vriendinnetje van dochter dat bij hen thuis logeerde (art. 244 Sr) en bezit kinderporno (art. 240b.1 Sr). 1. Bewijsklacht mishandeling. 2. Bewijsklacht seksueel misbruik. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. betrouwbaarheid verklaringen van aangeefster, art. 359.2 Sv. 3. Vordering benadeelde partij en opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Dient vordering b.p. te worden gematigd gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend? 4. Bewijsklacht pleegperiode bezit kinderporno. HR: art. 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.748 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/02767
Datum 6 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 juli 2022, nummer 22-003273-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2024.