Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2024:1689

2024-11-26 Strafrecht 23/02338
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2024-11-26
Publicatiedatum
2024-11-18
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
23/02338
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | SR-Updates.nl 2024-0304 | RvdW 2025/31

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Te hard rijden, art. 62 jo. bord A 1 bijlage I RVV 1990. Redelijke termijn in feitelijke aanleg, betekening van verstekmededeling in eerste aanleg. Kon hof oordelen dat geen sprake is van overschrijding van redelijke termijn? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. Redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is in feitelijke aanleg overschreden. In het licht van opgelegde geldboete van € 800 volstaat HR met oordeel dat redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. CAG: Uit stukken blijkt dat meerdere malen is gepoogd verstekmededeling uit te reiken op BRP-adres van verdachte. Omdat aldaar geen uitreiking heeft kunnen geschieden, is verstekmededeling uitgereikt aan autoriteit van welke zij is uitgegaan. Niet blijkt dat overeenkomstig art. 36e.2.b Sv door (medewerker van) OM afschrift van verstekmededeling is verzonden naar BRP-adres. Van rechtsgeldige betekening van verstekmededeling is dan ook geen sprake. Eerst door het in persoon uitreiken van verstekmededeling op 29-3-2022 heeft zich omstandigheid a.b.i. art. 408.2 Sv voorgedaan waaruit voortvloeit dat verdachte bekend is geworden met vonnis Ktr van 30-9-2020. Van rechtsgeldige betekening van verstekmededeling binnen een jaar is geen sprake, zodat redelijke termijn is overschreden. Volgt verwerping.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.917 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 23/02338

Datum 26 november 2024




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juni 2023, nummer 21-001416-22, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J. Weldam, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet begrijpelijk is.


3.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.1 tot en met 6.10.


3.3
Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in feitelijke aanleg is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 800, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.




4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.