Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:1501
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2024:1501 → ECLI:NL:GHAMS:2022:3842
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:1501 → ECLI:NL:PHR:2024:831
Inhoudsindicatie
Rijden onder invloed van alcohol, art. 8.3.b WVW 1994. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Is sprake van “onderzoek” a.b.i. art. 8.3.b WVW 1994? 2. Voldoet beroep op art. 359a Sv van verdediging (recht op bijstand van advocaat tijdens verhoor is geschonden) aan de aan zo’n verweer te stellen eisen? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie CAG: Hof heeft geoordeeld dat mededeling van recht op tegenonderzoek bij bloedafname geen strikte waarborg is a.b.i. art. 8 WVW 1994 en dat i.c. niet-naleving van deze bepaling door het te laat doen van mededeling een vormverzuim in zin van art. 359a Sv oplevert. Hof heeft aan de hand van stukken in dossier vastgesteld dat verdachte op 2 andere momenten is gewezen op recht op tegenonderzoek en heeft geoordeeld dat art. 13.2 BADG geen strikte waarborg is, zodat niet gezegd kan worden dat er in dat verband geen rechtsgeldig onderzoek a.b.i. art. 8 WVW 1994 heeft plaatsgevonden. Dat oordeel berust niet op een verkeerde rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor oordeel van hof dat weliswaar sprake is van vormverzuim, maar verdachte daarvan en van andere gebreken geen nadeel heeft ondervonden, zodat met enkele constatering van vormverzuim kan worden volstaan. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Dat hof heeft geoordeeld dat verweer niet voldoet aan eisen die in rechtspraak aan “359a-verweer” worden gesteld, is niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. De in art. 359a.2 Sv bedoelde factoren worden in verweer immers niet of in ieder geval onvoldoende ter sprake gebracht, en conclusie van raadsvrouw dat resultaat van bloedonderzoek van bewijs dient te worden uitgesloten, volgt in pleidooi van raadsvrouw niet (zozeer) uit haar punt dat verdachte geen gebruik heeft kunnen maken van verhoorbijstand, maar uit “veelheid van vormverzuimen”. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.708 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/02903
Datum 22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 juli 2022, nummer 23-001855-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van een ‘onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 lid 3, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 tot en met 6 en 8 tot en met 17.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat een door de verdediging gedaan beroep op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet voldoet aan de aan zo’n verweer te stellen eisen.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5, 6 en 20 tot en met 23.
4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 350 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.