Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:1108
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2024:1108 → ECLI:NL:GHAMS:2022:3481
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:1108 → ECLI:NL:PHR:2024:506
Inhoudsindicatie
Medeplegen opzettelijk iemand wederrechtelijk van vrijheid beroven en beroofd houden (art. 282.1 Sr) en medeplegen mishandeling met voorbedachte raad (art. 301.1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Denaturering van verweer over alibi van verdachte. 2. Kon hof oordelen dat verweer geen steun vindt in verklaringen van getuigen of telecomgegevens? 3. Gebruik voor bewijs van tegen medeverdachte gewezen arrest. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Klachten missen feitelijke grondslag omdat bedoeld verweer niet is gevoerd. Mede gelet op art. 359.3 Sv kan omstandigheid dat medeverdachte (ook) is veroordeeld voor medeplegen opzettelijke en wederrechtelijke vrijheidsberoving en medeplegen mishandeling van slachtoffer niet redengevend zijn voor bewijs dat verdachte de in zijn zaak tlgd. feiten heeft gepleegd, maar ook met weglating van dit bewijsmiddel is bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.537 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/04604
Datum 3 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 december 2022, nummer 23-000408-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 16.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2024.