Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:1096
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:1096 → ECLI:NL:PHR:2024:623
Inhoudsindicatie
Mishandeling van buitengewoon opsporingsambtenaar (art. 300.1 jo. 304.3 Sr) en belemmering van ambtelijke handeling (art. 184.1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten t.a.v. innerlijke tegenstrijdigheid van bewijsvoering en opzet op mishandeling. 2. Uitdrukkelijk voorgedragen verweer strekkende tot toepassing van art. 55.1 Sr, art. 358.3 Sv. Was hof gehouden gemotiveerd te beslissen op beroep op strafverminderingsgrond? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden klachten niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs bewijsvoering bevat geen tegenstrijdigheid. In verklaring van verdachte, zich te ‘herinneren’ dat hij heeft geduwd en niet geslagen, ziet hof alleen erkenning van verdachte dat hij hand van slachtoffer heeft aangeraakt, terwijl hof voor het overige aan ‘herinnering’ geen geloof heeft gehecht. Vaststelling dat verdachte heeft geslagen steunt op andere door hof gebruikte bewijsmiddelen. Klacht dat hof heeft geoordeeld dat vastpakken van slachtoffer mishandeling oplevert, mist feitelijke grondslag. Bewijsvoering houdt immers niet alleen in dat slachtoffer is vastgepakt maar ook dat hij is geslagen. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt klacht niet tot cassatie. CAG: Eén enkele zin in pleitnota i.h.k.v. strafmaat dat in feite sprake is van eendaadse samenloop, voldoet zonder nadere onderbouwing niet aan eisen die worden gesteld aan beroep op strafverminderingsgrond waarop o.g.v. art. 358.3 Sv moet worden gerespondeerd. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.120 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/00944
Datum 27 augustus 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 maart 2022, nummer 22-001341-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewijsvoering van de bewezenverklaarde feiten en over het niet-responderen op een verweer.
2.2
De klachten leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal.
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van 40 uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2024.