Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2023:921

2023-06-27 Strafrecht 22/03693
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2023-06-27
Publicatiedatum
2023-06-15
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
22/03693
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJB 2023/1792 | RvdW 2023/767 | JIN 2023/127 met annotatie van mr. C. van Oort | NJ 2024/139 met annotatie van P.A.M. Mevis

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (art. 285.1 Sr) en voorhanden hebben omgebouwd gas-alarmpistool (art. 26.1 WWM). 1. Gebruik voor bewijs van 2 getuigenverklaringen. 2. TBS met voorwaarden opgelegd en toelaatbaarheid van voorwaarde dat verdachte i.g.v. crisissituatie meewerkt aan tijdelijke opname in instelling. Reden voor ambtshalve cassatie? Ad 1. HR: art. 81.1 RO. Ad 2. Ambtshalve opmerking HR over sanctieoplegging: In recente rechtspraak heeft HR overwogen dat hij zijn bevoegdheid tot ambtshalve cassatie o.g.v. art. 440.1 Sv tegenwoordig bijzonder spaarzaam toepast. Bij beperkte capaciteit om cassatieberoepen te behandelen en gelet op noodzaak om strafzaken binnen aanvaardbare termijn af te doen, ligt het immers in de rede behandeling in cassatie te concentreren op ingediende klachten. Daarbij speelt een rol dat, omdat cassatieklachten moeten worden ingediend door raadsman of door OM, HR er in beginsel van moet kunnen uitgaan dat misslagen in bestreden uitspraak of fouten in de aan die uitspraak voorafgegane procedure zijn opgemerkt, terwijl het achterwege blijven van een daarop toegespitste klacht kan berusten op weloverwogen keuze (vgl. HR:2012:BX0146). Dat is ook geen onredelijke veronderstelling in een geval zoals dit waarin het gaat om aanvaardbaarheid van aan sanctieoplegging verbonden voorwaarden. Dat thema wordt dus tegenwoordig in beginsel niet ambtshalve onderzocht en beoordeeld. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. ambtshalve cassatie m.b.t. opgelegde voorwaarde.

Citeert (1)

Geciteerd door (7)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.377 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 22/03693

Datum 27 juni 2023




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 september 2022, nummer 22-002225-20, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Kuipers, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest doch uitsluitend voor zover het de negende voorwaarde betreft en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Ambtshalve opmerking over de sanctieoplegging
Aan de verdachte is een terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd. Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal onder 11 tot en met 25 over de toepassing van ambtshalve cassatie in verband met een van die voorwaarden merkt de Hoge Raad het volgende op. In recente rechtspraak heeft de Hoge Raad overwogen dat hij zijn bevoegdheid tot ambtshalve cassatie op grond van artikel 440 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering tegenwoordig bijzonder spaarzaam toepast. Bij een beperkte capaciteit om cassatieberoepen te behandelen en gelet op de noodzaak om strafzaken binnen een aanvaardbare termijn af te doen, ligt het immers in de rede de behandeling in cassatie te concentreren op de ingediende klachten. Daarbij speelt een rol dat, omdat cassatieklachten moeten worden ingediend door een raadsman of door het openbaar ministerie, de Hoge Raad er in beginsel van moet kunnen uitgaan dat misslagen in de bestreden uitspraak of fouten in de aan die uitspraak voorafgegane procedure zijn opgemerkt, terwijl het achterwege blijven van een daarop toegespitste klacht kan berusten op een weloverwogen keuze. (Vgl. in enigszins andere bewoordingen HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146.) Dat is ook geen onredelijke veronderstelling in een geval zoals dit waarin het gaat om de aanvaardbaarheid van aan de sanctieoplegging verbonden voorwaarden. Dat thema wordt dus tegenwoordig in beginsel niet ambtshalve onderzocht en beoordeeld.



4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.


Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers, A.E.M. Röttgering, C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2023.