Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:825
2023-06-02
Civiel recht; Arbeidsrecht
22/02190
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2023:825 → ECLI:NL:GHARL:2022:1988 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2023:825 → ECLI:NL:PHR:2023:316 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Arbeidsrecht. Wet normalisering rechtspositie ambtenaren. Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst op de g-grond van art. 7:669 lid 3 BW wegens verstoorde relatie tussen werkneemster en haar direct leidinggevende. Is voldaan aan g-grond? Heeft kantonrechter ten onrechte gelegenheid gegeven alsnog herplaatsingsmogelijkheden te onderzoeken? Billijke vergoeding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (9)
- ECLI:NL:PHR:2026:157 Parket bij de Hoge Raad 20-02-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2025:7544 Rechtbank Overijssel 22-12-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2024:5176 Rechtbank Noord-Nederland 18-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:672 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:672 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:672 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1577 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2023:8414 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:8843 Rechtbank Rotterdam 21-09-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (2.983 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/02190
Datum 2 juni 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
GEMEENTE UTRECHT,
zetelende te Utrecht,
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de gemeente,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[de werknemer],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de werknemer,
advocaat: I.L.N. Timp.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 8903373 UE VERZ 20-370 LH/1040 van de kantonrechter te Utrecht van 8 juli 2021;
b. de beschikking in de zaak 200.300.509 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022.
De gemeente heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De werknemer heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de gemeente heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel in het principale beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van de beschikking van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
3Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de werknemer] begroot op € 2.135,-- aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de gemeente deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.H. Sieburgh, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 2 juni 2023.
CIVIELE KAMER
Nummer 22/02190
Datum 2 juni 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
GEMEENTE UTRECHT,
zetelende te Utrecht,
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de gemeente,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[de werknemer],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de werknemer,
advocaat: I.L.N. Timp.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 8903373 UE VERZ 20-370 LH/1040 van de kantonrechter te Utrecht van 8 juli 2021;
b. de beschikking in de zaak 200.300.509 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022.
De gemeente heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De werknemer heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de gemeente heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel in het principale beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van de beschikking van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
3Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de werknemer] begroot op € 2.135,-- aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de gemeente deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.H. Sieburgh, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 2 juni 2023.