Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:683
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2023:683 → ECLI:NL:PHR:2023:298
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Voortgezette handeling van moord (art. 2:262 SrC) en poging tot doodslag (art. 2:259 jo. 1:119 SrC) door na ruzie in snack in Curaçao eerst zijn vriendin naar huis te brengen, terug te rijden naar snack en vervolgens op korte afstand kogels af te vuren op ander ten gevolge waarvan deze is overleden en willekeurige omstander door kogel is geraakt. Bewijsklacht moord. Heeft verdachte met voorbedachte raad gehandeld? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte louter heeft gehandeld in ogenblikkelijke gemoedsopwelling of n.a.v. plots opkomende drift die maakt dat mogelijkheid tot nadenken en beraad door hem niet kon worden benut en dat ook van andere contra-indicaties voor aannemen van voorbedachte raad niet is gebleken. Hof is aldus tot eindconclusie gekomen dat verdachte de ander met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. ’s Hofs oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat hof bij zijn oordeel heeft betrokken dat tijdspanne van ongeveer 10 minuten zat tussen moment waarop verdachte het besluit nam om op ander te gaan schieten en moment waarop hij dit besluit uitvoerde. Hof kon hieruit afleiden dat verdachte voldoende tijd en gelegenheid had om zich te beraden over besluit om op ander te schieten. Daarbij is van belang dat hof heeft meegewogen dat er geen contra-indicaties waren voor aannemen van voorbedachte raad. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.263 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/00424 C
Datum 9 mei 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 27 januari 2022, nummer H-7/21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1. tenlastegelegde voor zover inhoudende dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 14.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 mei 2023.