Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:494
2023-04-04
Strafrecht
21/04245
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2023:494 → ECLI:NL:GHAMS:2021:2914
- conclusie ECLI:NL:HR:2023:494 → ECLI:NL:PHR:2023:170
Inhoudsindicatie
Medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving waarbij slachtoffer is overleden (art. 282.3 Sr). 1. Afwijzing getuigenverzoek op de grond dat getuigen reeds gehoord zijn door RC in aanwezigheid van verdediging. 2. Causaal verband tussen gedragingen verdachte en dood slachtoffer. HR: art. 81.1 RO en t.a.v. causaal verband ook gelet op HR:2023:493. Samenhang met 21/04202.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2023:493 Hoge Raad 04-04-2023
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBNNE:2024:217 Rechtbank Noord-Nederland 30-01-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (2.000 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04245
Datum 4 april 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2021, nummer 23-003568-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het – wat betreft het tweede cassatiemiddel ook gelet op het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 21/04302, ECLI:NL:HR:2023:493 – namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2023.
STRAFKAMER
Nummer 21/04245
Datum 4 april 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2021, nummer 23-003568-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het – wat betreft het tweede cassatiemiddel ook gelet op het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 21/04302, ECLI:NL:HR:2023:493 – namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2023.