Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2023:1654

2023-11-28 Strafrecht 21/04586
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2023-11-28
Publicatiedatum
2023-11-24
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
21/04586
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2023/1165

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Medeplegen zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad (art. 303 Sr) door meermalen met kracht met honkbalknuppel in richting van hoofd en tegen linker arm van aangever te slaan. 1. Betrouwbaarheid van verklaring van aangever. Heeft hof toereikend gemotiveerd uiteengezet waarom het de herkenning van verdachte door aangever voldoende betrouwbaar heeft geacht? 2. Bewijsklachten m.b.t. gebruik voor bewijs van historische (telefoon)verkeersgegevens. 3. Bewijsklacht m.b.t. gebruik voor bewijs van verklaring van getuige. 4. Bewijsklachten m.b.t. voorbedachte raad. Kon hof oordelen dat verdachte enige tijd de gelegenheid heeft gehad om na te denken over mogelijke gevolgen van voorgenomen daad en dat niet is gehandeld vanuit een hevige gemoedsopwelling? 5. Schriftuur benadeelde partij. Motivering beslissing hof op vordering b.p. m.b.t. immateriële schade. Kan uit motivering van hof worden afgeleid op welke omstandigheden de toewijzing van vordering b.p. is gebaseerd? Heeft hof verzuimd bij begroting van immateriële schade te letten op bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend? HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.931 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 21/04586

Datum 28 november 2023




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 oktober 2021, nummer 22-000054-20, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. van der Steen, advocaat te 's–Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de verdachte heeft een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de verdachte zijn voorgesteld en het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).




3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.



4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2023.