Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:1604
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2023:1604 → ECLI:NL:PHR:2023:683
Inhoudsindicatie
Voorbereidingshandelingen t.a.v. cocaïnetransporten vanuit Spanje naar Nederland (art. 10a Opiumwet) en deelneming aan een criminele organisatie (art. 11a (oud) Opiumwet). Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Is bewezenverklaring toereikend gemotiveerd, v.zv. inhoudende dat opzet van verdachte gericht was op plegen van handelingen met verdovende middelen (i.h.b. cocaïne)? HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft vaststellingen gedaan, gebaseerd op gebruikte bewijsmiddelen, over zowel aandeel van verdachte in organisatie als oogmerk van organisatie en wetenschap van verdachte. Vastgestelde feiten en omstandigheden duiden op betrokkenheid bij cocaïnehandel, zodat hof het uitblijven van aannemelijke verklaring kon meewegen bij zijn bewijsoordeel. Gelet hierop heeft hof de bewezenverklaring uit b.m. kunnen afleiden. Volgt verwerping. Samenhang met zaak 21/03017.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.434 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 21/03053
Datum 21 november 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 juli 2021, nummer 22-001546-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
2.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.6.
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en een week beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2023.