Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:1581
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2023:1581 → ECLI:NL:GHSHE:2021:2739
- conclusie ECLI:NL:HR:2023:1581 → ECLI:NL:PHR:2023:863
Inhoudsindicatie
OM-cassatie en cassatie verdachte. Vrijspraak t.z.v. medeplegen opzettelijk aanwezig hebben cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en medeplegen voorbereidings- of bevorderingshandelingen t.a.v. partij cocaïne uit Colombia, die in haven van Antwerpen grotendeels in beslag is genomen (art. 10a jo. 10.4 en 10.5 Opiumwet). 1. Cassatie verdachte. Geen schriftuur. 2. OM-cassatie. Kan sprake zijn van ‘voorbereiden’ of ‘bevorderen’ a.b.i. art. 10a Opiumwet, als aan verdachte verweten handelingen hebben plaatsgevonden na inbeslagneming van partij verdovende middelen waarop handelingen gericht zijn? Ad 1. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Ad 2. HR: Middel slaagt om redenen vermeld in HR:2023:1580. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. voorbereidings- of bevorderingshandelingen en strafoplegging. Samenhang met 21/03513.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2023:1580 Hoge Raad 21-11-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.100 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 21/03514
Datum 21 november 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 augustus 2021, nummer 20-000145-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie. Cassatiemiddelen zijn namens de verdachte niet voorgesteld.
Het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de verdachte
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
3.1
Het cassatiemiddel klaagt ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit over het oordeel van het hof dat geen sprake kan zijn van ‘voorbereiden’ of ‘bevorderen’ als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, als de aan de verdachte verweten handelingen hebben plaatsgevonden na de inbeslagneming van de partij verdovende middelen waarop die handelingen gericht zijn.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 21/03513, ECLI:NL:HR:2023:1580.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk;
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2023.