Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:1414
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2023:1414 → ECLI:NL:PHR:2023:729
Inhoudsindicatie
Valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) door in februari 2000 met gestolen creditcard verschillende betalingen te doen bij benzinestations en daartoe verkoopbonnen te voorzien van valse handtekening, art. 225.1 Sr. 1. Verjaring, art. 70.1.3 en 72.1 Sr. Is 12 jaren na verstekmededeling uitspraak hof van 25-3-2004 enige daad van vervolging verricht? 2. Verjaring en overschrijding redelijke termijn in cassatiefase. Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Bij stukken bevindt zich verstekmededeling uitspraak hof van 25-3-2004. Deze mededeling moet worden aangemerkt als daad van vervolging a.b.i. art. 72.1 Sr, die verjaring stuit. Dit betekent dat op 25-3-2004 nieuwe verjaringstermijn is aangevangen. Uit stukken van geding blijkt niet dat zich in 12 jaren na 25-3-2004 een daad van vervolging heeft voorgedaan. Dit brengt mee dat recht tot strafvervolging is verjaard. Ad 2. Gelet op beslissing HR is er geen aanleiding om aan oordeel dat redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. HR zal daarom met dat oordeel volstaan. HR verklaart OM n-o in vervolging.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2024:208 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (2.714 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 21/03570
Datum 17 oktober 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 juni 2002, nummer 22-000848-02, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Politierechter is vernietigd, en tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de vervolging.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel voert aan dat het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.8.
2.3
De Hoge Raad zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Gelet op de hierna volgende beslissing is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage van 24 april 2001;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2023.