Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2023:1168

2023-09-08 Bestuursrecht; Belastingrecht 21/01598
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2023-09-08
Publicatiedatum
2023-09-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
21/01598
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NDFR Nieuws 2023/1247 | V-N Vandaag 2023/2054 | V-N 2023/40.25 met annotatie van Redactie | NTFR 2023/1579 met annotatie van mr. E.C.G. Okhuizen | Sdu Nieuws Bestuursrecht 2023/253 | NLF 2023/2074 met annotatie van Luc Arets | BNB 2023/137 | USZ 2023/293 | JB 2023/196 | Sdu Nieuws Belastingzaken 2023/864 | FED 2023/118 met annotatie van M.H.W.N. Lammers | TvPP 2023, afl. 6, p. 217 | Viditax (FutD) 2023090808 | FutD 2023-2347

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Procesrecht; door rechtbank niet behandelde stelling niet in hoger beroep uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.

Citeert (4)

Geciteerd door (14)

Volledige tekst

Volledige tekst (7.304 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



BELASTINGKAMER




Nummer 21/01598

Datum 8 september 2023



ARREST



in de zaak van




[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)



tegen



de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN



op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 maart 2021, nr. 20/00034, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 18/3678) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2014 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.





1Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.R. Beijnon, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.




2Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende verrichtte in 2014 werkzaamheden op het gebied van financiële (advies)dienstverlening.


2.2
Op 12 november 2013 heeft belanghebbende een aanvraag voor een verklaring arbeidsrelatie ingediend. Op basis van deze aanvraag heeft de Inspecteur een beschikking gegeven waarbij de voordelen uit de hiervoor in 2.1 bedoelde werkzaamheden zijn aangemerkt als winst uit onderneming (hierna: de VAR-WUO).Bij het vaststellen van de onderhavige navorderingsaanslag heeft de Inspecteur deze voordelen aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.


2.3
Voor de Rechtbank stelde belanghebbende zich primair op het standpunt dat zijn werkzaamheden in 2014 zijn verricht in het kader van een zelfstandig uitgeoefend beroep en dat de door hem daaruit genoten inkomsten daarom moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming. Subsidiair stelde hij zich voor de Rechtbank op het standpunt dat met het geven van de VAR-WUO door de Inspecteur het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat deze inkomsten als winst uit onderneming zijn aan te merken. De Rechtbank heeft het primaire standpunt van belanghebbende gevolgd en heeft het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel niet behandeld.


2.4
De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Hij heeft in hoger beroep betoogd dat de inkomsten van belanghebbende niet als winst uit onderneming zijn aan te merken. Belanghebbende heeft in hoger beroep hiertegen verweer gevoerd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft hij niet herhaald.


2.5
Tijdens het onderzoek ter zitting van het Hof heeft belanghebbende, evenals de Inspecteur, verklaard dat het geschil zich beperkt tot de vraag of sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden dan wel winst uit onderneming.


2.6
Het Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van de uitoefening van een zelfstandig beroep en daarmee ook niet van winst uit onderneming. Het Hof heeft vervolgens de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het beroep bij de Rechtbank ongegrond verklaard.




3Beoordeling van de middelen

3.1
Het derde middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet een zelfstandig beroep uitoefent en daarmee ook geen winst uit onderneming heeft genoten. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).


3.2
Het tweede middel klaagt erover dat het Hof niet heeft beslist op het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel.


3.3
Het tweede middel slaagt. Het Hof heeft geen oordeel gegeven over het door belanghebbende voor de Rechtbank gedane beroep op het vertrouwensbeginsel. Aangezien het Hof het primaire standpunt van belanghebbende had verworpen, was het gehouden diens – door de Rechtbank niet behandelde – subsidiaire beroep op het vertrouwensbeginsel alsnog te behandelen. Dat zou anders zijn indien belanghebbende bij de Rechtbank dan wel bij het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zou hebben verklaard dat hij deze subsidiaire stelling intrekt. Uit de stukken van het geding volgt dat die situatie zich hier niet voordoet. De omstandigheid dat belanghebbende zijn beroep op het vertrouwensbeginsel in hoger beroep niet heeft herhaald, brengt niet mee dat hij dat beroep uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft ingetrokken. Hetzelfde geldt voor de hiervoor in 2.5 genoemde verklaring van belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting van het Hof. Indien een procespartij verklaart dat het geschil is beperkt tot een bepaald punt, brengt dat namelijk op zichzelf niet mee dat zij daarmee een of meer andere, eerder door haar aangevoerde geschilpunten uitdrukkelijk en ondubbelzinnig laat varen.


3.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Het eerste middel behoeft in verband hiermee geen behandeling. Verwijzing moet volgen om het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel alsnog te behandelen.




4Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding moet worden toegekend.



5Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 134, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.348 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.



Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2023.



ECLI:NL:GHSHE:2021:664.


Vgl. HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3311, rechtsoverweging 2.7.4.


Vgl. HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3311, rechtsoverweging 2.7.4.


Vgl. voor dit een en ander HR 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ5125, rechtsoverwegingen 3.4 en 3.5.