Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:85
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:85 → ECLI:NL:PHR:2021:1263
Inhoudsindicatie
Zelfstandig en met anderen in criminele organisatie gedurende meerdere jaren veelvuldig reeks frauduleuze handelingen verrichten, waarbij verdachte een leidinggevende en sturende rol heeft. Feitelijke leiding geven aan door rechtspersoon meermalen begaan van oplichting (art. 326 Sr), onjuiste belastingaangifte (art. 69 AWR), bedrieglijke bankbreuk (art. 341 (oud) Sr) en valsheid in geschrift (art. 225.2 Sr) en als leider deelnemen aan criminele organisatie (art. 140.4 Sr). 1. Bewijsklachten. Bedrijven waaraan verdachte feitelijke leiding heeft gegeven hebben (oplichtings)gedragingen niet verricht, het zich als bonafide afnemer voordoen levert geen valse hoedanigheid op en hof heeft geen keuze gemaakt tussen tlgd. “alleen plegen” en “medeplegen”. 2. Bewijs- en kwalificatieklacht m.b.t. plegen van bedrieglijke bankbreuk. Valt “het niet meer voldoen van schulden” onder art. 341 (oud) Sr, nu geen sprake is van het niet verantwoorden van baten en/of onttrekking van goederen aan boedel? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 20/00439 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o) en 20/01142 (niet gepubliceerd, art. 81.1 RO).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (3)
- ECLI:NL:RBROT:2024:3426 Rechtbank Rotterdam 17-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:73 Parket bij de Hoge Raad 23-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:72 Parket bij de Hoge Raad 23-01-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (2.741 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 20/00424
Datum 1 februari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2020, nummer 21-007588-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste tot en met het vierde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2022.