Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:412
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:412 → ECLI:NL:PHR:2022:92
Inhoudsindicatie
Bedreiging, art. 285.1 Sr. Dubbel verstek. Betekening dagvaarding in hoger beroep door toezending naar adres in België waarop verdachte in BRP staat ingeschreven zonder vermelding postcode, art. 36e.3 Sv. Postcode vereist bij toezending dagvaarding in h.b. naar adres in België? Uitreiking van dagvaarding in h.b. aan verdachte van wie alleen een woon- of verblijfplaats in buitenland bekend is, in deze zaak dus in België, vindt plaats door rechtstreekse toezending van die dagvaarding over de post. Nu verdachte in BRP was ingeschreven op adres in België, postcode daarvan deel uitmaakt en akte van uitreiking niet inhoudt dat toezending aan adres in België heeft plaatsgevonden met vermelding van de van dat adres deel uitmakende postcode, is ‘s hofs oordeel dat dagvaarding in h.b. geldig is betekend, niet z.m. begrijpelijk. HR verklaart betekening dagvaarding in h.b. nietig. CAG: anders.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (7)
- ECLI:NL:PHR:2026:226 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2024:1146 Parket bij de Hoge Raad 05-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:362 Parket bij de Hoge Raad 02-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:59 Parket bij de Hoge Raad 16-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:59 Parket bij de Hoge Raad 16-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1230 Parket bij de Hoge Raad 12-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:12 Parket bij de Hoge Raad 10-01-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (3.266 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 20/04250
Datum 22 maart 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 december 2020, nummer 20-000386-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt). Het voert aan dat de adresgegevens van het adres in België waaraan is betekend via toezending aan dat adres, niet compleet zijn omdat de postcode niet is vermeld.
2.2
De berechting in hoger beroep heeft bij verstek plaatsgevonden. Bij de stukken van het geding bevinden zich onder meer de stukken, vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 onder (iii) tot en met (v). De Informatiestaat SKDB-persoon van 15 oktober 2020 houdt in dat de verdachte vanaf 8 oktober 2019 in de Basisregistratie personen (hierna: BRP) staat ingeschreven als niet-ingezetene op het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats] te België. De dagvaarding in hoger beroep is – blijkens de daarvan opgemaakte akte van uitreiking – op 15 oktober 2020 aan de verdachte betekend door rechtstreekse toezending aan het adres vermeld op die akte van uitreiking. Als adres van de verdachte houdt die akte in: [plaats] (België), [a-straat 1]. Een postcode is daarbij niet vermeld.
2.3
De uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte van wie alleen een woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, in deze zaak dus in België, vindt plaats door rechtstreekse toezending van die dagvaarding over de post. Nu de verdachte in de BRP was ingeschreven op een adres in België, de postcode daarvan deel uitmaakt en de akte van uitreiking niet inhoudt dat de toezending aan het adres in België heeft plaatsgevonden met vermelding van de van dat adres deel uitmakende postcode, is het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, niet zonder meer begrijpelijk.
2.4
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2022.