Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:379
2022-03-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
20/01121
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:379 → ECLI:NL:GHSHE:2020:496
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:379 → ECLI:NL:PHR:2020:1121
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting; procesrecht; art. 16, lid 1, AWR; nieuw feit; uitworpredenen; onderzoeksplicht.
Citeert (6)
- ECLI:NL:HR:2018:797 Hoge Raad 15-06-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2020:496 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1121 Parket bij de Hoge Raad 25-11-2020
- ECLI:NL:HR:2010:BL7165 Hoge Raad 12-03-2010
- ECLI:NL:HR:2010:BJ9082 Hoge Raad 16-04-2010
- ECLI:NL:HR:2013:BX7184 Hoge Raad 31-05-2013
Geciteerd door (80)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4637 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-07-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2181 Rechtbank Noord-Nederland 02-06-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2183 Rechtbank Noord-Nederland 02-06-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2182 Rechtbank Noord-Nederland 02-06-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1931 Rechtbank Noord-Nederland 21-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3756 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2734 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-04-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1217 Gerechtshof Amsterdam 14-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1583 Gerechtshof Den Haag 09-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1583 Gerechtshof Den Haag 09-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2479 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-04-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:527 Gerechtshof Amsterdam 24-02-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:188 Parket bij de Hoge Raad 20-02-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:188 Parket bij de Hoge Raad 20-02-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:261 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:353 Gerechtshof Den Haag 20-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:353 Gerechtshof Den Haag 20-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3548 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8161 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-11-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3686 Gerechtshof Amsterdam 30-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6533 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6897 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2479 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-09-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2766 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17324 Rechtbank Den Haag 22-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4542 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4301 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-07-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1746 Gerechtshof Amsterdam 03-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1853 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1854 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4201 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3685 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3316 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2995 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1518 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:878 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:204 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:41 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2665 Gerechtshof Den Haag 12-12-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:8580 Rechtbank Gelderland 04-12-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3391 Gerechtshof Amsterdam 19-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7895 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3078 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-10-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5931 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-09-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5930 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-09-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2870 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-09-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:2861 Rechtbank Noord-Nederland 25-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2117 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-06-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2592 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2431 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1984 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-03-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:309 Gerechtshof Den Haag 28-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:888 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:887 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:446 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1013 Rechtbank Den Haag 18-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:93 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8997 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7345 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-11-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2322 Gerechtshof Amsterdam 19-09-2023
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.046 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01121
Datum 18 maart 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 februari 2020, nrs. 17/00643 en 17/00644, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 16/3607 en BRE 16/8330) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.A.W.L. van de Put, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 25 november 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie voor zover het betrekking heeft op de navorderingsaanslag over het jaar 2012, en ongegrondverklaring van het beroep in cassatie voor het overige.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
De partner van belanghebbende dreef sinds 2006 een onderneming (hierna: de onderneming). Voor de financiering van de onderneming zijn in 2008, 2009 en 2010 diverse leningen bij een bank aangegaan. De desbetreffende overeenkomsten zijn mede door belanghebbende als kredietnemer ondertekend. De zekerheid voor deze leningen bestaat onder meer uit een derde hypotheek op de woning van belanghebbende en zijn partner. De onderneming was vanaf 2009 verlieslijdend. Op 16 april 2013 is het faillissement van de partner uitgesproken en is de onderneming beëindigd.
2.2
In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2012 (hierna: de aangifte IB 2012) heeft belanghebbende een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 26.649 vermeld.
2.3
In zijn aangifte voor de IB/PVV voor het jaar 2013 (hierna: de aangifte IB 2013) heeft belanghebbende een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 60.478 vermeld.
2.4
De aangifte IB 2012 is op 7 mei 2013 ingediend. In het door de Belastingdienst gebruikte geautomatiseerde systeem voor controle van aangiften IB/PVV waren toen onder meer de volgende twee zogenoemde uitworpredenen ingesteld, te weten “hoog negatief saldo TBS vermogensbestanddelen” en “beoordeel hoog TBS-verlies”. De eerstbedoelde uitworpreden is door de Belastingdienst op 29 januari 2014 voor alle aangiften uitgezet, en de andere genoemde uitworpreden is vanwege beperkt beschikbare controlecapaciteit voor een deel van de aangiften ook uitgezet. De aanslag IB/PVV van belanghebbende voor het jaar 2012 is daardoor zonder onderzoek overeenkomstig zijn aangifte vastgesteld.
2.5
Naar aanleiding van de aangifte IB 2013 heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 8 oktober 2015 vragen gesteld over het aangegeven negatieve resultaat uit overige werkzaamheden. Belanghebbende heeft bij brief van 18 november 2015 daarop geantwoord dat dit negatieve resultaat samenhangt met de betaling van de schulden van de onderneming, waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld.De Inspecteur heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat de hiervoor in 2.2 en in 2.3 bedoelde negatieve resultaten niet aftrekbaar zijn, omdat de daarmee gemoeide bedragen als een onzakelijke lening aan de partner van belanghebbende zijn te beschouwen. De informatie uit de brief van 18 november 2015 heeft hij aangemerkt als een zogenoemd nieuw feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR. Op die gronden heeft hij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2012 opgelegd. Daarnaast heeft hij bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2013 het in de aangifte voor dat jaar vermelde belastbare inkomen uit werk en woning gecorrigeerd.
3Procedure voor het Hof
3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur voor het jaar 2012 beschikt over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR dat navordering rechtvaardigt.
3.2
Het Hof heeft overwogen dat een inspecteur geen ambtelijk verzuim begaat indien hij bij de beoordeling van de aangiften over informatie beschikte die hem bij een behoorlijke vervulling van zijn aanslagregelende taak redelijkerwijs ertoe zou hebben moeten brengen daarover nadere vragen te stellen maar hij toch de aanslagen conform de aangiften oplegt, als die informatie ook de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid openlaat dat de aangiften juist zijn. Naar het oordeel van het Hof is in de aangifte IB 2012, die er overigens verzorgd uitziet en door een fiscaal deskundige is ingediend, weliswaar een (hoog) negatief resultaat uit overige werkzaamheden vermeld, maar kan de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de aangifte wat dit aspect betreft (toch) juist kan zijn, niet worden uitgesloten. De omstandigheid dat de Inspecteur ondanks de uitworpredenen de aanslag IB/PVV 2012 geautomatiseerd heeft afgedaan, doet hieraan niet af, omdat ook dan geldt dat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte ten aanzien van het (hoge) negatieve resultaat uit overige werkzaamheden juist is, aldus het Hof.
4Beoordeling van de middelen
4.1
Middel 1 richt zich tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:797 (hierna: het arrest van 15 juni 2018), volgt dat het niet beoordelen van de aangifte IB 2012 meebrengt dat niet een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR kan worden aangenomen.
4.2.1
De inspecteur mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.
4.2.2
De hiervoor in 4.2.1 weergegeven uitgangspunten gelden ongeacht of de aangifte op grond van vooraf vastgestelde criteria (‘uitworpredenen’) in aanmerking komt voor nader onderzoek, en ook ongeacht of dat nadere onderzoek van de aangifte plaatsvindt.Het arrest van 15 juni 2018 doet hieraan niet af. Uit dat arrest valt niet als algemene regel af te leiden dat de inspecteur bij een behoorlijke taakuitoefening nader onderzoek behoort in te stellen na uitworp van de aangifte op welke grond dan ook.
4.2.3
Met zijn hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat ook indien de aangifte IB 2012 op grond van de hiervoor in 2.4 genoemde uitworpredenen zou zijn uitgeworpen en de Inspecteur daarvan met een normale zorgvuldigheid kennis had genomen, er voor hem in redelijkheid geen reden was te twijfelen aan de juistheid van het in die aangifte opgenomen negatieve resultaat uit overige werkzaamheden, omdat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte IB 2012 op dat punt juist was. Deze oordelen geven, gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.2 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
4.2.4
Die oordelen zijn ook toereikend gemotiveerd. Daarbij verdient nog wel het volgende opmerking. Het Hof heeft in onderdeel 4.8 van zijn uitspraak opgemerkt dat de aangifte IB 2012 er verzorgd uitziet. Die omstandigheid brengt echter niet mee dat de Inspecteur eerder van de juistheid van de aangifte mocht uitgaan. Gelet op de formulering van het Hof - dat deze opmerking laat voorafgaan door het woord “overigens” - moet echter worden aangenomen dat het verzorgde uiterlijk van de aangifte niet dragend is geweest voor zijn oordeel dat de Inspecteur over het voor de navorderingsaanslag benodigde nieuwe feit beschikt.
4.2.5
Gelet op het voorgaande faalt middel 1.
4.3
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2022.
ECLI:NL:GHSHE:2020:496.
ECLI:NL:PHR:2020:1121.
Vgl. HR 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165, HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082, en HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01121
Datum 18 maart 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 februari 2020, nrs. 17/00643 en 17/00644, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 16/3607 en BRE 16/8330) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.A.W.L. van de Put, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 25 november 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie voor zover het betrekking heeft op de navorderingsaanslag over het jaar 2012, en ongegrondverklaring van het beroep in cassatie voor het overige.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
De partner van belanghebbende dreef sinds 2006 een onderneming (hierna: de onderneming). Voor de financiering van de onderneming zijn in 2008, 2009 en 2010 diverse leningen bij een bank aangegaan. De desbetreffende overeenkomsten zijn mede door belanghebbende als kredietnemer ondertekend. De zekerheid voor deze leningen bestaat onder meer uit een derde hypotheek op de woning van belanghebbende en zijn partner. De onderneming was vanaf 2009 verlieslijdend. Op 16 april 2013 is het faillissement van de partner uitgesproken en is de onderneming beëindigd.
2.2
In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2012 (hierna: de aangifte IB 2012) heeft belanghebbende een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 26.649 vermeld.
2.3
In zijn aangifte voor de IB/PVV voor het jaar 2013 (hierna: de aangifte IB 2013) heeft belanghebbende een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 60.478 vermeld.
2.4
De aangifte IB 2012 is op 7 mei 2013 ingediend. In het door de Belastingdienst gebruikte geautomatiseerde systeem voor controle van aangiften IB/PVV waren toen onder meer de volgende twee zogenoemde uitworpredenen ingesteld, te weten “hoog negatief saldo TBS vermogensbestanddelen” en “beoordeel hoog TBS-verlies”. De eerstbedoelde uitworpreden is door de Belastingdienst op 29 januari 2014 voor alle aangiften uitgezet, en de andere genoemde uitworpreden is vanwege beperkt beschikbare controlecapaciteit voor een deel van de aangiften ook uitgezet. De aanslag IB/PVV van belanghebbende voor het jaar 2012 is daardoor zonder onderzoek overeenkomstig zijn aangifte vastgesteld.
2.5
Naar aanleiding van de aangifte IB 2013 heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 8 oktober 2015 vragen gesteld over het aangegeven negatieve resultaat uit overige werkzaamheden. Belanghebbende heeft bij brief van 18 november 2015 daarop geantwoord dat dit negatieve resultaat samenhangt met de betaling van de schulden van de onderneming, waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld.De Inspecteur heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat de hiervoor in 2.2 en in 2.3 bedoelde negatieve resultaten niet aftrekbaar zijn, omdat de daarmee gemoeide bedragen als een onzakelijke lening aan de partner van belanghebbende zijn te beschouwen. De informatie uit de brief van 18 november 2015 heeft hij aangemerkt als een zogenoemd nieuw feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR. Op die gronden heeft hij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2012 opgelegd. Daarnaast heeft hij bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2013 het in de aangifte voor dat jaar vermelde belastbare inkomen uit werk en woning gecorrigeerd.
3Procedure voor het Hof
3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur voor het jaar 2012 beschikt over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR dat navordering rechtvaardigt.
3.2
Het Hof heeft overwogen dat een inspecteur geen ambtelijk verzuim begaat indien hij bij de beoordeling van de aangiften over informatie beschikte die hem bij een behoorlijke vervulling van zijn aanslagregelende taak redelijkerwijs ertoe zou hebben moeten brengen daarover nadere vragen te stellen maar hij toch de aanslagen conform de aangiften oplegt, als die informatie ook de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid openlaat dat de aangiften juist zijn. Naar het oordeel van het Hof is in de aangifte IB 2012, die er overigens verzorgd uitziet en door een fiscaal deskundige is ingediend, weliswaar een (hoog) negatief resultaat uit overige werkzaamheden vermeld, maar kan de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de aangifte wat dit aspect betreft (toch) juist kan zijn, niet worden uitgesloten. De omstandigheid dat de Inspecteur ondanks de uitworpredenen de aanslag IB/PVV 2012 geautomatiseerd heeft afgedaan, doet hieraan niet af, omdat ook dan geldt dat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte ten aanzien van het (hoge) negatieve resultaat uit overige werkzaamheden juist is, aldus het Hof.
4Beoordeling van de middelen
4.1
Middel 1 richt zich tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:797 (hierna: het arrest van 15 juni 2018), volgt dat het niet beoordelen van de aangifte IB 2012 meebrengt dat niet een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR kan worden aangenomen.
4.2.1
De inspecteur mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.
4.2.2
De hiervoor in 4.2.1 weergegeven uitgangspunten gelden ongeacht of de aangifte op grond van vooraf vastgestelde criteria (‘uitworpredenen’) in aanmerking komt voor nader onderzoek, en ook ongeacht of dat nadere onderzoek van de aangifte plaatsvindt.Het arrest van 15 juni 2018 doet hieraan niet af. Uit dat arrest valt niet als algemene regel af te leiden dat de inspecteur bij een behoorlijke taakuitoefening nader onderzoek behoort in te stellen na uitworp van de aangifte op welke grond dan ook.
4.2.3
Met zijn hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat ook indien de aangifte IB 2012 op grond van de hiervoor in 2.4 genoemde uitworpredenen zou zijn uitgeworpen en de Inspecteur daarvan met een normale zorgvuldigheid kennis had genomen, er voor hem in redelijkheid geen reden was te twijfelen aan de juistheid van het in die aangifte opgenomen negatieve resultaat uit overige werkzaamheden, omdat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte IB 2012 op dat punt juist was. Deze oordelen geven, gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.2 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
4.2.4
Die oordelen zijn ook toereikend gemotiveerd. Daarbij verdient nog wel het volgende opmerking. Het Hof heeft in onderdeel 4.8 van zijn uitspraak opgemerkt dat de aangifte IB 2012 er verzorgd uitziet. Die omstandigheid brengt echter niet mee dat de Inspecteur eerder van de juistheid van de aangifte mocht uitgaan. Gelet op de formulering van het Hof - dat deze opmerking laat voorafgaan door het woord “overigens” - moet echter worden aangenomen dat het verzorgde uiterlijk van de aangifte niet dragend is geweest voor zijn oordeel dat de Inspecteur over het voor de navorderingsaanslag benodigde nieuwe feit beschikt.
4.2.5
Gelet op het voorgaande faalt middel 1.
4.3
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2022.
ECLI:NL:GHSHE:2020:496.
ECLI:NL:PHR:2020:1121.
Vgl. HR 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165, HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082, en HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.