Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:218
2022-02-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/05424
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:218 → ECLI:NL:CRVB:2021:3255
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2021:3255 Centrale Raad van Beroep 22-12-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.703 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/05424
Datum 18 februari 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 december 2021, nr. 20/3738 WSF, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. 20/2608).
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep als deze, die is gedaan in een geschil betreffende de Wet studiefinanciering 2000. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2022.
ECLI:NL:CRVB:2021:3255.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/05424
Datum 18 februari 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 december 2021, nr. 20/3738 WSF, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. 20/2608).
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep als deze, die is gedaan in een geschil betreffende de Wet studiefinanciering 2000. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2022.
ECLI:NL:CRVB:2021:3255.