Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2022:21

2022-01-18 Strafrecht 20/03423
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2022-01-18
Publicatiedatum
2022-01-13
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
20/03423
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJB 2022/244 | SR-Updates.nl 2022-0010 | NJ 2022/46 | RvdW 2022/148

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. belediging ambtenaar in functie, meermalen gepleegd (art. 266 jo. 267 Sr). Aanwezigheidsrecht, kennisgeving ander aanvangstijdstip tz. in hoger beroep per gewone post. Nadat dagvaarding in h.b. is uitgereikt aan huisgenoot van verdachte op zijn BRP-adres, is verdachte bij gewone brief gericht aan zijn BRP-adres bericht dat tijdstip van tz. in h.b. met 10 minuten is vervroegd, waarna verdachte niet ttz. is verschenen. Wet staat er niet aan in de weg dat verandering van tijdstip op de voor tz. bepaalde datum wordt vastgesteld maar wet schrijft niet voor op welke wijze de wijziging van dat tijdstip aan verdachte bekend moet worden gemaakt. Voorkomen moet worden dat verdachte door zo’n wijziging in zijn verdedigingsrecht (i.h.b. recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht) wordt benadeeld. Aan dat vereiste wordt in ieder geval voldaan door betekening van aanzegging van dat gewijzigde tijdstip of door betekening van nieuwe dagvaarding of oproeping onder intrekking van eerdere dagvaarding of oproeping. Hoewel i.c. de kennisgeving van ander tijdstip van tz. niet op de hiervoor bedoelde wijze heeft plaatsgevonden, is ’s hofs kennelijke oordeel dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht en dat tegen hem verstek kon worden verleend, niet onbegrijpelijk. HR neemt daarbij i.h.b. in aanmerking dat aanvangstijdstip van tz. met niet méér dan 10 minuten is vervroegd, dat aan verdachte al op 25-05-2020 per gewone brief de bekendmaking van gewijzigd tijdstip (op 15-07-2020) is verzonden, dat blijkens p-v van tz. in h.b. na aanvang van die tz. eerst nog door griffier telefonisch contact met raadsman is opgenomen alvorens onderzoek ttz. is gesloten en dat in cassatie niet is gesteld dat verdachte op oorspronkelijke aanvangstijd in gerechtsgebouw van hof aanwezig was. Volgt verwerping. CAG: anders.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (5)

Volledige tekst

Volledige tekst (5.248 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 20/03423

Datum 18 januari 2022




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 juli 2020, nummer 21-003968-19, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben M.G. Cantarella en A.T.C. Castermans, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de niet-verschenen verdachte rechtsgeldig was gedagvaard en verstek tegen hem kon worden verleend. Het klaagt onder meer dat het aanvangstijdstip van het onderzoek ter terechtzitting is vervroegd en dat dit aan de verdachte alleen bekend is gemaakt via een per gewone post verzonden mededeling aan het adres waarop de verdachte stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).


2.2

De voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijnde stukken zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.3. Deze stukken houden - kort samengevat – onder meer het volgende in:
- de dagvaarding in hoger beroep houdt in als datum en tijdstip van de terechtzitting: 15 juli 2020, 11.40 uur. Bij brief van 25 mei 2020, die per gewone post is verzonden naar het adres waarop de verdachte in de BRP stond ingeschreven, is namens de advocaat-generaal van het ressortsparket aan de verdachte bericht dat dat tijdstip is vervroegd naar 11.30 uur;
- de verdachte is niet verschenen op de terechtzitting in hoger beroep en tegen hem is verstek verleend, waarna het hof de verdachte op grond van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.


2.3.1
De wet staat er niet aan in de weg dat een verandering van tijdstip op de voor de terechtzitting bepaalde datum wordt vastgesteld, maar de wet schrijft niet voor op welke wijze de wijziging van dat tijdstip aan de verdachte bekend moet worden gemaakt. Voorkomen moet worden dat de verdachte door zo een wijziging in zijn verdedigingsrecht – in het bijzonder het recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht – wordt benadeeld. Aan dat vereiste wordt in ieder geval voldaan door de betekening van de aanzegging van dat gewijzigde tijdstip of door betekening van een nieuwe dagvaarding of oproeping onder intrekking van de eerdere dagvaarding of oproeping.


2.3.2
Hoewel in het onderhavige geval de kennisgeving van een ander tijdstip van de terechtzitting niet op de onder 2.3.1 genoemde wijze heeft plaatsgevonden, is het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht en dat tegen hem verstek kon worden verleend, niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat het aanvangstijdstip van de terechtzitting met niet méér dan tien minuten is vervroegd, dat aan de verdachte al op 25 mei 2020 per gewone brief de bekendmaking van het gewijzigde tijdstip is verzonden, dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep na aanvang van die terechtzitting eerst nog door de griffier telefonisch contact met de raadsman is opgenomen alvorens het onderzoek ter terechtzitting is gesloten en dat in cassatie niet is gesteld dat de verdachte op de oorspronkelijke aanvangstijd in het gerechtsgebouw van het hof aanwezig was.


2.3.3
Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, faalt het.



2.4
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).




3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.


Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, E.S.G.N.A.I. van de Griend, M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2022.