Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:1798
2022-12-02
Bestuursrecht; Belastingrecht
22/03477
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:1798 → ECLI:NL:CRVB:2022:1739
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2022:1739 Centrale Raad van Beroep 26-07-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.836 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/03477
Datum 2 december 2022
ARREST
in de zaak van
[X1] en [X2] te [Z] (hierna: belanghebbenden),
vertegenwoordigd door N. Roos,
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juli 2022, nrs. 20/104 PW, 20/106 PW, 20/2434 PW en 20/3486 PW, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. 19/3661, 19/3683, 19/5655 en 20/1639) betreffende besluiten van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam ingevolge de Participatiewet.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2022.
ECLI:NL:CRVB:2022:1739.
BELASTINGKAMER
Nummer 22/03477
Datum 2 december 2022
ARREST
in de zaak van
[X1] en [X2] te [Z] (hierna: belanghebbenden),
vertegenwoordigd door N. Roos,
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juli 2022, nrs. 20/104 PW, 20/106 PW, 20/2434 PW en 20/3486 PW, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. 19/3661, 19/3683, 19/5655 en 20/1639) betreffende besluiten van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam ingevolge de Participatiewet.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2022.
ECLI:NL:CRVB:2022:1739.