Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:1587
2022-11-08
Strafrecht
22/03223
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Herziening. Medeplegen diefstal (art. 311.1.4 Sr) en diefstal (art. 310 Sr). Aangevoerd wordt dat sprake is van een gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv op de grond dat uit HR:2020:2028 (andere strafzaak tegen aanvrager) blijkt dat in uitspraak waarvan herziening is gevraagd niet is voldaan aan wettelijke voorwaarden voor oplegging van ISD-maatregel. In aanvraag wordt miskend dat onder “een minder zware strafbepaling” in de zin van art. 457.1.c Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. De oplegging door rechter van een andere (minder zware) sanctie of achterwege laten van oplegging van sanctie valt daar niet onder. Afwijzing aanvraag.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2020:2028 Hoge Raad 15-12-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.917 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03223 H
Datum 8 november 2022
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 januari 2020, nummer 02/083135-19, ingediend door A.A. Nunnikhoven, advocaat te Tilburg,
namens
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de aanvrager.
1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De rechtbank heeft de aanvrager voor diefstal door twee of meer verenigde personen en diefstal veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaren.
2De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3Beoordeling van de aanvraag
3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2
De aanvraag beroept zich op een arrest van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2028 in een andere strafzaak tegen de aanvrager. Volgens de aanvrager blijkt uit dit arrest dat in de uitspraak waarvan herziening is gevraagd niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor de oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.
3.3
In de aanvraag wordt daarmee echter miskend dat onder “een minder zware strafbepaling” in de zin van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. De oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie of het achterwege laten van de oplegging van een sanctie valt daar niet onder.
3.4
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.
4Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2022.
STRAFKAMER
Nummer 22/03223 H
Datum 8 november 2022
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 januari 2020, nummer 02/083135-19, ingediend door A.A. Nunnikhoven, advocaat te Tilburg,
namens
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de aanvrager.
1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De rechtbank heeft de aanvrager voor diefstal door twee of meer verenigde personen en diefstal veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaren.
2De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3Beoordeling van de aanvraag
3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2
De aanvraag beroept zich op een arrest van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2028 in een andere strafzaak tegen de aanvrager. Volgens de aanvrager blijkt uit dit arrest dat in de uitspraak waarvan herziening is gevraagd niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor de oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.
3.3
In de aanvraag wordt daarmee echter miskend dat onder “een minder zware strafbepaling” in de zin van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. De oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie of het achterwege laten van de oplegging van een sanctie valt daar niet onder.
3.4
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.
4Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2022.