Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:1353
2022-09-30
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/03044
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:1353 → ECLI:NL:CRVB:2021:1333
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2021:1333 Centrale Raad van Beroep 03-06-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.884 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/03044
Datum 30 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juni 2021, nrs. 21/395 AOW en 21/1369 AOW, op het hoger beroep van de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. 18/2728) betreffende besluiten van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2022.
ECLI:NL:CRVB:2021:1333.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/03044
Datum 30 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juni 2021, nrs. 21/395 AOW en 21/1369 AOW, op het hoger beroep van de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. 18/2728) betreffende besluiten van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2022.
ECLI:NL:CRVB:2021:1333.