Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2021:808

2021-06-01 Strafrecht 19/05904
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2021-06-01
Publicatiedatum
2021-05-31
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
19/05904
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2021/626

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Middel over een uos. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met drie andere zaken.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (1.796 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 19/05904 P

Datum 1 juni 2021




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 19 december 2019, nummer 22-002737-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste



van




[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de betrokkene.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft J.J. Bussink, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.




2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2021.