Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2021:347
2021-03-05
Civiel recht
19/04381
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2021:347 → ECLI:NL:GHAMS:2019:2822 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2021:347 → ECLI:NL:PHR:2020:934 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Kort geding. Financieel recht. Mocht bank de bankrelatie opzeggen? Peilmoment toetsing. Weigering tot afgifte van proces-verbaal na pleidooi.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (10)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5695 Rechtbank Midden-Nederland 01-10-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2023:5864 Rechtbank Amsterdam 20-09-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2023:5864 Rechtbank Amsterdam 20-09-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:150 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 16-06-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:355 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 24-04-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2022:268 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 22-09-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:1485 Rechtbank Midden-Nederland 15-04-2022
- ECLI:NL:HR:2021:1652 Hoge Raad 05-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:239 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:239 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (3.059 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 19/04381
Datum 5 maart 2021
ARREST
In de zaak van
1. [eiseres 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [eiseres 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [eiseres 3] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
4. STICHTING [eiseres 4], gevestigd te [vestigingsplaats],
5. [eiseres 5] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
6. [eiseres 6] B.V, gevestigd te [vestigingsplaats],
7. [eiseres 7] B.V, gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [eiseressen],
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
ING BANK N.V.,gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: ING,
advocaat: B.T.M. van der Wiel.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/13/654863 / KG ZA 18-1029 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 november 2018 en 23 november 2018, en het vonnis in de zaak C/13/658896/KG ZA 18-1351 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2019;
de arresten in de zaken 200.250.499/01 SKG en 200.255.118/01 SKG van het gerechtshof Amsterdam van 30 april 2019 en 30 juli 2019.
[eiseressen] hebben tegen het arrest van het hof van 30 juli 2019 beroep in cassatie ingesteld.
ING heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor ING mede door J.R.T. Bouma.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseressen] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseressen] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ING begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseressen] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 5 maart 2021.
CIVIELE KAMER
Nummer 19/04381
Datum 5 maart 2021
ARREST
In de zaak van
1. [eiseres 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [eiseres 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [eiseres 3] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
4. STICHTING [eiseres 4], gevestigd te [vestigingsplaats],
5. [eiseres 5] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
6. [eiseres 6] B.V, gevestigd te [vestigingsplaats],
7. [eiseres 7] B.V, gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [eiseressen],
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
ING BANK N.V.,gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: ING,
advocaat: B.T.M. van der Wiel.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/13/654863 / KG ZA 18-1029 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 november 2018 en 23 november 2018, en het vonnis in de zaak C/13/658896/KG ZA 18-1351 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2019;
de arresten in de zaken 200.250.499/01 SKG en 200.255.118/01 SKG van het gerechtshof Amsterdam van 30 april 2019 en 30 juli 2019.
[eiseressen] hebben tegen het arrest van het hof van 30 juli 2019 beroep in cassatie ingesteld.
ING heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor ING mede door J.R.T. Bouma.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseressen] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseressen] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ING begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseressen] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 5 maart 2021.