Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2021:1330
2021-09-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/00034
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2021:1330 → ECLI:NL:CRVB:2020:1849 niet ontvankelijk
- herziening ECLI:NL:HR:2022:1180 → ECLI:NL:HR:2021:1330
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:HR:2022:1180 Hoge Raad 09-09-2022
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.493 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00034
Datum 17 september 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], Marokko (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 augustus 2020, nr. 19/4318 ANW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. 19/813).
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 6 maart 2021 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 19 mei 2021 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruikgemaakt. Belanghebbende heeft in zijn op 4 juni 2021 door de Rechtbank ontvangen brief, die door de Rechtbank aan de Hoge Raad is doorgezonden, een beroep op betalingsonmacht gedaan. Omdat dat verzoek niet is gedaan binnen de daarvoor geldende termijn, moet het worden afgewezen. Voor zover die brief moet worden beschouwd als een reactie op de brief van 19 mei 2021, kan dat belanghebbende niet baten. Hetgeen belanghebbende in die brief aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende voor de betaling van griffierecht niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet–ontvankelijk worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2021.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00034
Datum 17 september 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], Marokko (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 augustus 2020, nr. 19/4318 ANW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. 19/813).
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 6 maart 2021 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 19 mei 2021 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruikgemaakt. Belanghebbende heeft in zijn op 4 juni 2021 door de Rechtbank ontvangen brief, die door de Rechtbank aan de Hoge Raad is doorgezonden, een beroep op betalingsonmacht gedaan. Omdat dat verzoek niet is gedaan binnen de daarvoor geldende termijn, moet het worden afgewezen. Voor zover die brief moet worden beschouwd als een reactie op de brief van 19 mei 2021, kan dat belanghebbende niet baten. Hetgeen belanghebbende in die brief aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende voor de betaling van griffierecht niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet–ontvankelijk worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2021.