Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2021:1158
2021-07-16
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/02837
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2021:1158 → ECLI:NL:GHARL:2019:3986
- conclusie ECLI:NL:HR:2021:1158 → ECLI:NL:PHR:2020:1017
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 15, lid 1, Wet OB 1968; aftrek van omzetbelasting ter zake van aanschaf perceel en bouw woonhuis vanwege plaatsing van zonnepanelen op het dak van het woonhuis?; rechtstreeks en onmiddellijk verband met levering met zonnepanelen opgewekte energie?
Citeert (3)
- ECLI:NL:PHR:2020:1017 Parket bij de Hoge Raad 30-10-2020
- ECLI:EU:C:2013:99
- ECLI:EU:C:2018:888
Geciteerd door (69)
- ECLI:NL:PHR:2025:1411 Parket bij de Hoge Raad 30-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1411 Parket bij de Hoge Raad 30-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1411 Parket bij de Hoge Raad 30-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1411 Parket bij de Hoge Raad 30-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3538 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1336 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1403 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1403 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1403 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1337 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1403 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1337 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1337 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1403 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1403 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1403 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1336 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:7775 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3674 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3674 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3674 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3674 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:586 Gerechtshof Amsterdam 21-01-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3590 Gerechtshof Amsterdam 19-12-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:9160 Rechtbank Gelderland 18-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2086 Gerechtshof Den Haag 14-08-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2146 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2146 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-07-2024
- ECLI:NL:HR:2024:776 Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1653 Gerechtshof Amsterdam 23-05-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1653 Gerechtshof Amsterdam 23-05-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2023:6621 Rechtbank Gelderland 07-12-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:8625 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2778 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-08-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2778 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5900 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3725 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-06-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:2558 Rechtbank Gelderland 28-03-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:4110 Rechtbank Noord-Holland 27-03-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:1567 Rechtbank Gelderland 20-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:722 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1052 Rechtbank Den Haag 25-01-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:416 Rechtbank Noord-Holland 17-01-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5396 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1959 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1959 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1959 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1959 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1959 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1959 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1775 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1775 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1775 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1775 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1775 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:958 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-02-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:657 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-02-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:337 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-01-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2346 Gerechtshof Den Haag 11-11-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:4789 Rechtbank Noord-Nederland 09-11-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (10.162 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02837
Datum 16 juli 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2019, nr. 18/00445, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/2528) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door W. Roebersen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 oktober 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1.1 Belanghebbende, een samenwerkingsverband van twee levenspartners, heeft in 2015 een perceel bouwgrond gekocht en heeft vervolgens op dit perceel een woonhuis laten bouwen (hierna: het woonhuis). Op het dak van het woonhuis heeft belanghebbende zonnepanelen laten installeren. De zonnepanelen zijn niet in het dak geïntegreerd en hebben daarom niet de functie van dakbedekking. Op 1 september 2016 is het woonhuis in gebruik genomen, grotendeels voor gezamenlijke bewoning ervan door de partners. Een werkkamer in het woonhuis verhuurt belanghebbende vanaf 1 september 2016 aan de besloten vennootschap waarvan een van de partners directeur-grootaandeelhouder is (hierna: de BV). Belanghebbende en de BV hebben geopteerd voor belaste verhuur als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).
2.1.2 Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking waarbij de Inspecteur hem teruggaaf van omzetbelasting over het derde kwartaal van 2016 heeft verleend. Belanghebbende heeft daarbij verzocht om een aanvullende teruggaaf, onder meer omdat hij zich op het standpunt stelt dat zowel het perceel als het woonhuis ook voor de exploitatie van de zonnepanelen wordt gebruikt en dat daarom ook recht op aftrek bestaat van de ter zake van de aankoop van het perceel en de bouw van het woonhuis in rekening gebrachte omzetbelasting voor zover deze toerekenbaar is aan de met de zonnepanelen opgewekte energie die tegen vergoeding wordt geleverd aan het energiebedrijf. De Inspecteur heeft het bezwaar in zoverre ongegrond verklaard.
2.2.1 Voor het Hof was in geschil in hoeverre belanghebbende de voorbelasting ter zake van de aanschaf van het perceel en de bouw van het woonhuis kan aftrekken.
2.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat het voor aftrek vereiste rechtstreekse en onmiddellijke verband ontbreekt tussen enerzijds de levering van energie via de zonnepanelen en anderzijds de aanschaf van het perceel en de bouw van het woonhuis. De stelling van belanghebbende dat het perceel is aangeschaft en daarop een woonhuis is gebouwd om de plaatsing van zonnepanelen te realiseren, heeft het Hof verworpen. Volgens het Hof is niet aannemelijk dat de kosten van het perceel en/of de bouw van het woonhuis op enigerlei wijze rechtstreeks of als algemene kosten zijn verdisconteerd in de prijs die belanghebbende van de energiemaatschappij voor de levering van elektriciteit ontvangt.
3Beoordeling van de klachten
3.1
De klachten zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen.
3.2
De Hoge Raad stelt voorop dat op grond van artikel 15, lid 1, laatste alinea, van de Wet de belasting over de uitgaven in verband met een onroerende zaak die deel uitmaakt van het vermogen van het bedrijf van de ondernemer en door de ondernemer zowel voor zijn bedrijfsactiviteiten als voor privédoeleinden of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt, slechts aftrekbaar is naar evenredigheid van het gebruik ervan voor de (belaste) bedrijfsactiviteiten van de ondernemer. Daarbij geldt sinds 1 januari 2011 dat het gebruik van een onroerende zaak voor privédoeleinden van de ondernemer of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden niet wordt gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel.
3.3.1
Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat de belastingplichtige in beginsel alleen recht op aftrek van voorbelasting kan hebben indien een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de verwerving van een goed of dienst in een eerder stadium en een of meer verrichte handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Indien een dergelijk verband niet bestaat, kan een rechtstreeks en onmiddellijk verband niettemin worden aangenomen indien de kosten voor de betrokken goederen of diensten deel uitmaken van de algemene kosten van de belastingplichtige en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem verrichte prestaties; in dat geval bestaat immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de voor de verwerving van goederen of diensten gedane uitgaven en de gehele economische activiteit van de belastingplichtige.
3.3.2
Bij de beoordeling of een verband als hiervoor in 3.3.1 omschreven bestaat, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden waaronder de belastingplichtige de betrokken uitgaven heeft gedaan en hij de betrokken prestaties verricht. De aftrek moet worden beperkt tot uitgaven die objectief verband houden met de belastbare activiteit van de belastingplichtige. Of een rechtstreeks en onmiddellijk verband in de hiervoor bedoelde zin bestaat, moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve inhoud van de gebruikte goederen of diensten. Eveneens moet rekening worden gehouden met de uitsluitende oorzaak van de verwerving van het goed of de dienst. Wanneer vaststaat dat een uitgave niet ten behoeve van de belastbare activiteit van de belastingplichtige is gedaan, kan niet worden aangenomen dat tussen deze uitgave en die activiteit een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Een rechtstreeks en onmiddellijk verband ontbreekt als de belastingplichtige de desbetreffende uitgave toch zou hebben gedaan wanneer hij geen belastbare economische activiteit had uitgeoefend.
3.3.3
Als regel geldt dat het aan de belastingplichtige is om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die meebrengen dat een rechtstreeks en onmiddellijk verband als hiervoor in 3.3.1 bedoeld, bestaat. In het bijzonder bij goederen of diensten die naar hun aard zowel voor economische doeleinden als voor privédoeleinden kunnen worden gebruikt, houdt dit in dat het op de weg van de belastingplichtige ligt om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden aangenomen dat de uitgave haar uitsluitende oorzaak vindt in de belastbare activiteit ondanks het privégebruik van het goed of de dienst en ongeacht de mate van dat privégebruik.
3.3.4
In de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof ligt besloten het oordeel dat belanghebbende de kosten voor het perceel en het woonhuis hoe dan ook zou hebben gemaakt, ook wanneer hij niet de zonnepanelen zou hebben aangeschaft, zodat niet kan worden gezegd dat deze uitgaven zijn gemaakt ten behoeve van het met zonnepanelen opwekken en tegen vergoeding leveren van energie. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.1 tot en met 3.3.3 is overwogen, geven dit oordeel en het daarop voortbouwende oordeel dat een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de verwerving van het perceel en de bouw van het woonhuis enerzijds en de levering van energie anderzijds ontbreekt, niet blijk van een onjuiste opvatting over artikel 15, lid 1, aanhef en eerste alinea, van de Wet. Deze oordelen zijn voor het overige van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Het Hof is daarbij terecht ervan uitgegaan dat de bewijslast op belanghebbende rust. De klachten falen in zoverre.
3.4
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2021.
ECLI:NL:PHR:2020:1017.
Vgl. HvJ 21 februari 2013, Wolfram Becker, C-104/12, ECLI:EU:C:2013:99 (hierna: het arrest Wolfram Becker), punten 19 en 20.
Vgl. het arrest Wolfram Becker, punt 22 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. C&D Foods Acquisition ApS, C-502/17; ECLI:EU:C:2018:888, punten 36 en 37, en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. het arrest Wolfram Becker, punten 26 tot en met 29, en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02837
Datum 16 juli 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2019, nr. 18/00445, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/2528) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door W. Roebersen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 oktober 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1.1 Belanghebbende, een samenwerkingsverband van twee levenspartners, heeft in 2015 een perceel bouwgrond gekocht en heeft vervolgens op dit perceel een woonhuis laten bouwen (hierna: het woonhuis). Op het dak van het woonhuis heeft belanghebbende zonnepanelen laten installeren. De zonnepanelen zijn niet in het dak geïntegreerd en hebben daarom niet de functie van dakbedekking. Op 1 september 2016 is het woonhuis in gebruik genomen, grotendeels voor gezamenlijke bewoning ervan door de partners. Een werkkamer in het woonhuis verhuurt belanghebbende vanaf 1 september 2016 aan de besloten vennootschap waarvan een van de partners directeur-grootaandeelhouder is (hierna: de BV). Belanghebbende en de BV hebben geopteerd voor belaste verhuur als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).
2.1.2 Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking waarbij de Inspecteur hem teruggaaf van omzetbelasting over het derde kwartaal van 2016 heeft verleend. Belanghebbende heeft daarbij verzocht om een aanvullende teruggaaf, onder meer omdat hij zich op het standpunt stelt dat zowel het perceel als het woonhuis ook voor de exploitatie van de zonnepanelen wordt gebruikt en dat daarom ook recht op aftrek bestaat van de ter zake van de aankoop van het perceel en de bouw van het woonhuis in rekening gebrachte omzetbelasting voor zover deze toerekenbaar is aan de met de zonnepanelen opgewekte energie die tegen vergoeding wordt geleverd aan het energiebedrijf. De Inspecteur heeft het bezwaar in zoverre ongegrond verklaard.
2.2.1 Voor het Hof was in geschil in hoeverre belanghebbende de voorbelasting ter zake van de aanschaf van het perceel en de bouw van het woonhuis kan aftrekken.
2.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat het voor aftrek vereiste rechtstreekse en onmiddellijke verband ontbreekt tussen enerzijds de levering van energie via de zonnepanelen en anderzijds de aanschaf van het perceel en de bouw van het woonhuis. De stelling van belanghebbende dat het perceel is aangeschaft en daarop een woonhuis is gebouwd om de plaatsing van zonnepanelen te realiseren, heeft het Hof verworpen. Volgens het Hof is niet aannemelijk dat de kosten van het perceel en/of de bouw van het woonhuis op enigerlei wijze rechtstreeks of als algemene kosten zijn verdisconteerd in de prijs die belanghebbende van de energiemaatschappij voor de levering van elektriciteit ontvangt.
3Beoordeling van de klachten
3.1
De klachten zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen.
3.2
De Hoge Raad stelt voorop dat op grond van artikel 15, lid 1, laatste alinea, van de Wet de belasting over de uitgaven in verband met een onroerende zaak die deel uitmaakt van het vermogen van het bedrijf van de ondernemer en door de ondernemer zowel voor zijn bedrijfsactiviteiten als voor privédoeleinden of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt, slechts aftrekbaar is naar evenredigheid van het gebruik ervan voor de (belaste) bedrijfsactiviteiten van de ondernemer. Daarbij geldt sinds 1 januari 2011 dat het gebruik van een onroerende zaak voor privédoeleinden van de ondernemer of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden niet wordt gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel.
3.3.1
Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat de belastingplichtige in beginsel alleen recht op aftrek van voorbelasting kan hebben indien een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de verwerving van een goed of dienst in een eerder stadium en een of meer verrichte handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Indien een dergelijk verband niet bestaat, kan een rechtstreeks en onmiddellijk verband niettemin worden aangenomen indien de kosten voor de betrokken goederen of diensten deel uitmaken van de algemene kosten van de belastingplichtige en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem verrichte prestaties; in dat geval bestaat immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de voor de verwerving van goederen of diensten gedane uitgaven en de gehele economische activiteit van de belastingplichtige.
3.3.2
Bij de beoordeling of een verband als hiervoor in 3.3.1 omschreven bestaat, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden waaronder de belastingplichtige de betrokken uitgaven heeft gedaan en hij de betrokken prestaties verricht. De aftrek moet worden beperkt tot uitgaven die objectief verband houden met de belastbare activiteit van de belastingplichtige. Of een rechtstreeks en onmiddellijk verband in de hiervoor bedoelde zin bestaat, moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve inhoud van de gebruikte goederen of diensten. Eveneens moet rekening worden gehouden met de uitsluitende oorzaak van de verwerving van het goed of de dienst. Wanneer vaststaat dat een uitgave niet ten behoeve van de belastbare activiteit van de belastingplichtige is gedaan, kan niet worden aangenomen dat tussen deze uitgave en die activiteit een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Een rechtstreeks en onmiddellijk verband ontbreekt als de belastingplichtige de desbetreffende uitgave toch zou hebben gedaan wanneer hij geen belastbare economische activiteit had uitgeoefend.
3.3.3
Als regel geldt dat het aan de belastingplichtige is om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die meebrengen dat een rechtstreeks en onmiddellijk verband als hiervoor in 3.3.1 bedoeld, bestaat. In het bijzonder bij goederen of diensten die naar hun aard zowel voor economische doeleinden als voor privédoeleinden kunnen worden gebruikt, houdt dit in dat het op de weg van de belastingplichtige ligt om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden aangenomen dat de uitgave haar uitsluitende oorzaak vindt in de belastbare activiteit ondanks het privégebruik van het goed of de dienst en ongeacht de mate van dat privégebruik.
3.3.4
In de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof ligt besloten het oordeel dat belanghebbende de kosten voor het perceel en het woonhuis hoe dan ook zou hebben gemaakt, ook wanneer hij niet de zonnepanelen zou hebben aangeschaft, zodat niet kan worden gezegd dat deze uitgaven zijn gemaakt ten behoeve van het met zonnepanelen opwekken en tegen vergoeding leveren van energie. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.1 tot en met 3.3.3 is overwogen, geven dit oordeel en het daarop voortbouwende oordeel dat een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de verwerving van het perceel en de bouw van het woonhuis enerzijds en de levering van energie anderzijds ontbreekt, niet blijk van een onjuiste opvatting over artikel 15, lid 1, aanhef en eerste alinea, van de Wet. Deze oordelen zijn voor het overige van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Het Hof is daarbij terecht ervan uitgegaan dat de bewijslast op belanghebbende rust. De klachten falen in zoverre.
3.4
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2021.
ECLI:NL:PHR:2020:1017.
Vgl. HvJ 21 februari 2013, Wolfram Becker, C-104/12, ECLI:EU:C:2013:99 (hierna: het arrest Wolfram Becker), punten 19 en 20.
Vgl. het arrest Wolfram Becker, punt 22 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. C&D Foods Acquisition ApS, C-502/17; ECLI:EU:C:2018:888, punten 36 en 37, en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. het arrest Wolfram Becker, punten 26 tot en met 29, en de aldaar aangehaalde rechtspraak.