Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2021:1153
2021-07-16
Bestuursrecht; Belastingrecht
20/01682
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2021:1153 → ECLI:NL:GHARL:2020:3246
Inhoudsindicatie
Beoordeling tijdigheid ingediend rechtsmiddel; art. 6:7 t/m 6:9 Awb; ambtshalve niet-ontvankelijk verklaren wegens termijnoverschrijding bij voorgaande instantie.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2005:AT3034 Hoge Raad 01-04-2005
Geciteerd door (88)
- ECLI:NL:PHR:2026:716 Parket bij de Hoge Raad 10-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:890 Gerechtshof Den Haag 25-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:890 Gerechtshof Den Haag 25-03-2026
- ECLI:NL:HR:2026:451 Hoge Raad 20-03-2026
- ECLI:NL:HR:2026:451 Hoge Raad 20-03-2026
- ECLI:NL:HR:2026:451 Hoge Raad 20-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:86 Parket bij de Hoge Raad 16-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1337 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1337 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1159 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1159 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1159 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1258 Hoge Raad 12-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5902 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-09-2025
- ECLI:NL:OGEAA:2025:229 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 11-08-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:1977 Rechtbank Noord-Nederland 22-05-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:57 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 17-04-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:62 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 19-03-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:62 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 19-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:204 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:204 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:204 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:204 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:98 Parket bij de Hoge Raad 24-01-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:18 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 22-01-2025
- ECLI:NL:OGEAM:2024:96 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 17-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2602 Gerechtshof Den Haag 12-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8217 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1256 Parket bij de Hoge Raad 22-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1256 Parket bij de Hoge Raad 22-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1256 Parket bij de Hoge Raad 22-11-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6956 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-11-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1080 Hoge Raad 06-09-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5208 Rechtbank Midden-Nederland 29-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8503 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8481 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2086 Gerechtshof Den Haag 14-08-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2086 Gerechtshof Den Haag 14-08-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5315 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5314 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-07-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:4879 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-07-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1501 Gerechtshof Amsterdam 14-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9905 Rechtbank Den Haag 03-04-2024
- ECLI:NL:OGEABES:2024:27 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 22-03-2024
- ECLI:NL:OGEAM:2024:4 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 16-02-2024
- ECLI:NL:OGEAM:2024:3 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 09-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:610 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:436 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1233 Parket bij de Hoge Raad 21-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1234 Parket bij de Hoge Raad 21-11-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:11227 Rechtbank Rotterdam 06-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7157 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2023
- ECLI:NL:CBB:2023:476 College van Beroep voor het bedrijfsleven 07-09-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1407 Gerechtshof Den Haag 11-07-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1406 Gerechtshof Den Haag 11-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:633 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1142 Gerechtshof Amsterdam 11-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2910 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-04-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:3459 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-04-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:2977 Rechtbank Noord-Holland 03-03-2023
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.475 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01682
Datum 16 juli 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 april 2020, nr. 18/00455, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/5461) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de erfbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Cordua, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende is met dagtekening 27 april 2017 een aanslag in de erfbelasting opgelegd en is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. Het daartegen gemaakte bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
2.2
De Rechtbank heeft aannemelijk geacht dat namens belanghebbende op 2 juni 2017 een bezwaarschrift tegen de aanslag en de beschikking is verzonden, en dat dit bezwaarschrift om redenen buiten de macht van belanghebbende de Inspecteur kennelijk niet heeft bereikt. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de Rechtbank sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 Awb zodat het bezwaar ontvankelijk is. De Rechtbank heeft daarom de uitspraak op bezwaar vernietigd en het beroep gegrond verklaard. De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de aanslag in de erfbelasting niet te hoog was.
3Procedure voor het Hof
3.1
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
3.2
De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Omdat dat beroep te laat was ingediend, heeft het Hof het niet-ontvankelijk verklaard.
3.3
Het Hof heeft voorts ambtshalve geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaarschrift van 2 juni 2017 (tijdig) ter post is bezorgd zodat niet binnen de geldende termijn bezwaar is gemaakt tegen de aanslag en de beschikking en dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, zodat de Inspecteur terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en die van de Inspecteur bevestigd.
4. Beoordeling van de uitspraak van het Hof naar aanleiding van de middelen en ambtshalve
4.1
De middelen zijn gericht tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof dat de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.2
Het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel is een ambtshalve bijgebrachte grond voor de vernietiging door het Hof van de uitspraak van de Rechtbank.
4.3.1
In dit verband overweegt de Hoge Raad als volgt:
4.3.2
Het bestuursorgaan moet beoordelen of een bij hem ingediend bezwaarschrift tijdig (artikelen 6:7 tot en met 6:9 van de Awb) is ingediend. De rechtbank moet beoordelen of het beroep tijdig is ingesteld, en het hof moet hetzelfde doen met betrekking tot het bij hem ingestelde (hoger) beroep. Waar in dit arrest over tijdigheid van een ingediend rechtsmiddel wordt gesproken, wordt daaronder mede verstaan de verschoonbaarheid van de te late indiening daarvan (artikel 6:11 Awb).
4.3.3
Tot nu toe komt het in de praktijk voor dat de rechter ook de tijdigheid van een bij het bestuursorgaan ingediend bezwaarschrift ambtshalve beoordeelt. De Hoge Raad heeft deze praktijk in belastingzaken in het verleden aanvaard. De Hoge Raad ziet echter aanleiding deze rechtspraak te heroverwegen. De hiervoor in 4.3.2 vermelde bepalingen van de Awb brengen namelijk niet zonder meer mee dat in een volgende instantie ambtshalve de tijdigheid van het aanwenden van een rechtsmiddel in de vorige instantie opnieuw moet worden beoordeeld. Verder valt niet in te zien welk zwaarwegend belang gediend kan zijn met ambtshalve beoordeling van die ontvankelijkheid in (hoger) beroep.
4.3.4
Gelet op hetgeen in 4.3.2 en 4.3.3 is overwogen, zal de Hoge Raad voortaan het uitgangspunt hanteren dat de rechter de tijdigheid van een bezwaar of beroep in een vorige instantie niet ambtshalve behoort te beoordelen. In zoverre komt de Hoge Raad terug van de hiervoor in 4.3.3 bedoelde rechtspraak. Dit betekent dat de rechtbank het bij het bestuursorgaan gemaakte bezwaar niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk mag verklaren, en dat het hof het bij de rechtbank ingestelde beroep of het bij het bestuursorgaan gemaakte bezwaar niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mag verklaren.
4.4
In dit geval heeft de Rechtbank het bezwaar ontvankelijk geacht. De Inspecteur heeft daarover in hoger beroep niet tijdig geklaagd. Uit hetgeen in 4.3.4 is overwogen volgt dat het Hof ten onrechte ambtshalve heeft beoordeeld of belanghebbende tijdig dan wel verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt.
4.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De middelen behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een beoordeling van de door het Hof onbehandeld gelaten gronden van het hoger beroep van belanghebbende.
5Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding moet worden toegekend.
6Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 131, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.496 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2021.
Vgl. HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3034.
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01682
Datum 16 juli 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 april 2020, nr. 18/00455, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/5461) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de erfbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Cordua, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende is met dagtekening 27 april 2017 een aanslag in de erfbelasting opgelegd en is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. Het daartegen gemaakte bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
2.2
De Rechtbank heeft aannemelijk geacht dat namens belanghebbende op 2 juni 2017 een bezwaarschrift tegen de aanslag en de beschikking is verzonden, en dat dit bezwaarschrift om redenen buiten de macht van belanghebbende de Inspecteur kennelijk niet heeft bereikt. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de Rechtbank sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 Awb zodat het bezwaar ontvankelijk is. De Rechtbank heeft daarom de uitspraak op bezwaar vernietigd en het beroep gegrond verklaard. De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de aanslag in de erfbelasting niet te hoog was.
3Procedure voor het Hof
3.1
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
3.2
De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Omdat dat beroep te laat was ingediend, heeft het Hof het niet-ontvankelijk verklaard.
3.3
Het Hof heeft voorts ambtshalve geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaarschrift van 2 juni 2017 (tijdig) ter post is bezorgd zodat niet binnen de geldende termijn bezwaar is gemaakt tegen de aanslag en de beschikking en dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, zodat de Inspecteur terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en die van de Inspecteur bevestigd.
4. Beoordeling van de uitspraak van het Hof naar aanleiding van de middelen en ambtshalve
4.1
De middelen zijn gericht tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof dat de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.2
Het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel is een ambtshalve bijgebrachte grond voor de vernietiging door het Hof van de uitspraak van de Rechtbank.
4.3.1
In dit verband overweegt de Hoge Raad als volgt:
4.3.2
Het bestuursorgaan moet beoordelen of een bij hem ingediend bezwaarschrift tijdig (artikelen 6:7 tot en met 6:9 van de Awb) is ingediend. De rechtbank moet beoordelen of het beroep tijdig is ingesteld, en het hof moet hetzelfde doen met betrekking tot het bij hem ingestelde (hoger) beroep. Waar in dit arrest over tijdigheid van een ingediend rechtsmiddel wordt gesproken, wordt daaronder mede verstaan de verschoonbaarheid van de te late indiening daarvan (artikel 6:11 Awb).
4.3.3
Tot nu toe komt het in de praktijk voor dat de rechter ook de tijdigheid van een bij het bestuursorgaan ingediend bezwaarschrift ambtshalve beoordeelt. De Hoge Raad heeft deze praktijk in belastingzaken in het verleden aanvaard. De Hoge Raad ziet echter aanleiding deze rechtspraak te heroverwegen. De hiervoor in 4.3.2 vermelde bepalingen van de Awb brengen namelijk niet zonder meer mee dat in een volgende instantie ambtshalve de tijdigheid van het aanwenden van een rechtsmiddel in de vorige instantie opnieuw moet worden beoordeeld. Verder valt niet in te zien welk zwaarwegend belang gediend kan zijn met ambtshalve beoordeling van die ontvankelijkheid in (hoger) beroep.
4.3.4
Gelet op hetgeen in 4.3.2 en 4.3.3 is overwogen, zal de Hoge Raad voortaan het uitgangspunt hanteren dat de rechter de tijdigheid van een bezwaar of beroep in een vorige instantie niet ambtshalve behoort te beoordelen. In zoverre komt de Hoge Raad terug van de hiervoor in 4.3.3 bedoelde rechtspraak. Dit betekent dat de rechtbank het bij het bestuursorgaan gemaakte bezwaar niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk mag verklaren, en dat het hof het bij de rechtbank ingestelde beroep of het bij het bestuursorgaan gemaakte bezwaar niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mag verklaren.
4.4
In dit geval heeft de Rechtbank het bezwaar ontvankelijk geacht. De Inspecteur heeft daarover in hoger beroep niet tijdig geklaagd. Uit hetgeen in 4.3.4 is overwogen volgt dat het Hof ten onrechte ambtshalve heeft beoordeeld of belanghebbende tijdig dan wel verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt.
4.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De middelen behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een beoordeling van de door het Hof onbehandeld gelaten gronden van het hoger beroep van belanghebbende.
5Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding moet worden toegekend.
6Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 131, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.496 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2021.
Vgl. HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3034.