Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:831
2020-05-29
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/03944
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2020:831 → ECLI:NL:GHARL:2019:5836
Inhoudsindicatie
Art. 2.13, 5.2 en 5.3 Wet IB 2001, art. 1 Eerste Protocol EVRM; belastingjaar 2015. Forfait rendement box 3-inkomen schending art. 1 EP op stelselniveau? HR 14 juni 2019, o.m. ECLI:NL:HR:2019:816. Rechtsbescherming beperkt tot onderzoek naar individuele en buitensporige last.
Citeert (10)
- ECLI:NL:PHR:2020:186 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2020
- ECLI:NL:HR:2019:816 Hoge Raad 14-06-2019
- ECLI:NL:HR:2019:817 Hoge Raad 14-06-2019
- ECLI:NL:HR:2019:911 Hoge Raad 14-06-2019
- ECLI:NL:HR:2019:912 Hoge Raad 14-06-2019
- ECLI:NL:HR:2019:946 Hoge Raad 14-06-2019
- ECLI:NL:HR:2019:948 Hoge Raad 14-06-2019
- ECLI:NL:HR:2019:949 Hoge Raad 14-06-2019
- ECLI:NL:HR:2019:816 Hoge Raad 14-06-2019
- ECLI:NL:HR:2019:816 Hoge Raad 14-06-2019
Geciteerd door (121)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1895 Gerechtshof Den Haag 28-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2713 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1284 Gerechtshof Amsterdam 21-04-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:187 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:187 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:303 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8410 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2068 Gerechtshof Den Haag 31-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3396 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7338 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6653 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1800 Gerechtshof Den Haag 17-09-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4544 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1858 Gerechtshof Den Haag 18-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2944 Gerechtshof Den Haag 18-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2192 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2188 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2190 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1901 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-03-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:278 Gerechtshof Den Haag 21-02-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:278 Gerechtshof Den Haag 21-02-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:278 Gerechtshof Den Haag 21-02-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:337 Gerechtshof Den Haag 23-01-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:336 Gerechtshof Den Haag 23-01-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3695 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-11-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:4154 Rechtbank Noord-Nederland 10-10-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:10200 Rechtbank Noord-Holland 14-09-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1396 Gerechtshof Amsterdam 08-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2813 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2816 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4289 Rechtbank Den Haag 28-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4289 Rechtbank Den Haag 28-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1812 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:692 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-03-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:148 Gerechtshof Amsterdam 17-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:137 Parket bij de Hoge Raad 16-01-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-01-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:7919 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-12-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2253 Gerechtshof Den Haag 03-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2253 Gerechtshof Den Haag 03-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2253 Gerechtshof Den Haag 03-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2254 Gerechtshof Den Haag 03-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2254 Gerechtshof Den Haag 03-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2254 Gerechtshof Den Haag 03-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1283 Gerechtshof Den Haag 05-07-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1283 Gerechtshof Den Haag 05-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1893 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-05-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1893 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-05-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1892 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-05-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1892 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2664 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2665 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-05-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:2513 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:2513 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:2509 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:2509 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1342 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1344 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-03-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:803 Gerechtshof Amsterdam 15-03-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:804 Gerechtshof Amsterdam 15-03-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (9.741 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/03944
Datum 29 mei 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2019, nr. 18/00775, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/657) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Niessen heeft op 27 februari 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2020:186).
Door zowel belanghebbende als de Staatssecretaris is schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2015 overeenkomstig de door belanghebbende gedane aangifte is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.138 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.803.
2.2
Bij het Hof was in geschil, voor zover in cassatie van belang, of de heffing van € 1.112 over het inkomen uit sparen en beleggen (hierna: box 3) in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP).
2.2.1
Bij de beoordeling van dat geschil heeft het Hof overwogen dat er ten aanzien van de gestelde schending van artikel 1 EP op stelselniveau met betrekking tot het jaar 2015 geen aanleiding is om anders te oordelen dan de Hoge Raad in zijn arresten van 14 juni 2019 heeft gedaan ten aanzien van de heffing van inkomstenbelasting over de jaren 2013 en 2014.Het Hof heeft met verwijzing naar deze arresten tot uitgangspunt genomen, samengevat, - dat er geen aanknopingspunt is om te oordelen dat de regeling van box 3 als zodanig niet aan de daaraan ingevolge artikel 1 EP te stellen maatstaven voldoet, maar dat de heffing van box 3 voor een bepaald jaar op stelselniveau met die verdragsbepaling in strijd kan komen indien komt vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, worden geconfronteerd met een buitensporig zware last;- dat ook voor het jaar 2015 op stelselniveau geldt dat dit eertijds door de wetgever voor een langs reeks van jaren veronderstelde rendement voor belastingplichtigen niet haalbaar was zonder daar (veel) risico voor te hoeven nemen, en dat de heffing van box 3 op stelselniveau, mede gelet op het toepasselijke tarief, een schending van artikel 1 EP oplevert indien het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement lager is dan 1,2 procent;- dat een dergelijke schending op stelselniveau een rechtstekort vormt waarin niet kan worden voorzien zonder op dat niveau keuzes te maken die niet voldoende duidelijk uit het wettelijk stelsel zijn af te leiden, en dat voor ingrijpen door de rechter in beginsel geen plaats is, tenzij een individuele belastingplichtige wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, en- dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last, de gevolgen van de heffing van box 3 moeten worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene waarbij het inkomen uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang een belangrijk aanknopingspunt is.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van een individuele en buitensporige last, gezien diens inkomen uit werk en woning in het onderhavige jaar. Daarbij heeft het Hof overwogen dat geen bijzonderheden zijn gebleken die hierop een ander licht werpen, en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de heffing van box 3 zwaarder wordt getroffen dan andere belastingplichtigen in een vergelijkbare financiële situatie met vergelijkbaar samengestelde vermogens van dezelfde omvang.
2.3
In cassatie bestrijdt belanghebbende dit oordeel met twee, in diverse onderdelen uiteen vallende, middelen.
2.4.1
In het eerste middel wordt onder meer betoogd dat de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad, en dus ook de nu bestreden uitspraak van het Hof, onjuist zijn omdat niet is onderzocht of het zonder (veel) risico’s nominaal haalbare rendement in de desbetreffende belastingjaren daadwerkelijk lager is geweest dan 1,2 procent, en dus niet is vastgesteld of op stelselniveau daadwerkelijk sprake is van een schending van artikel 1 EP. Voorts bevat het middel de stelling dat een effectieve bescherming van het door deze verdragsbepaling beschermde eigendomsrecht meebrengt dat het Hof de in deze procedure bestreden aanslag had moeten vernietigen voor zover het de heffing van box 3 betreft. Dat volgt, aldus nog steeds het middel, ook uit artikel 94 Grondwet, ingevolge welke bepaling een nationaal wettelijk voorschrift buiten toepassing moet blijven indien die toepassing onverenigbaar is met een verdragsbepaling.
2.4.2
Het middel faalt in zoverre. De gestelde schending van artikel 1 EP kenmerkt zich hierdoor dat zij afhankelijk is van een oordeel over een veronderstelling (ten aanzien van het op sparen en beleggen te behalen rendement) waarop het nationale wettelijk voorschrift berust. Indien de heffing van box 3 op stelselniveau een schending van artikel 1 EP oplevert, gaat daarmee een rechtstekort gepaard waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken. Deze keuzes zijn niet voldoende duidelijk uit het stelsel van de wet af te leiden. Dan past de rechter ten opzichte van de wetgever terughoudendheid bij het voorzien in zo’n rechtstekort op stelselniveau. Betreft het een schending in een geval waarin een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, dan dient de rechter in dat geval in het rechtstekort te voorzien.Artikel 94 Grondwet bepaalt dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Anders dan het middel betoogt, volgt uit artikel 94 Grondwet niet dat de belastingrechter de wettelijke regeling van box 3 buiten toepassing moet laten in een geval waarin de belastingrechter niet vaststelt dat een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last en waarin zich dus niet voordoet dat de toepassing van die wettelijke regeling niet verenigbaar is met artikel 1 EP.
2.5.1
In het tweede middel wordt onder meer betoogd dat het Hof, ook in dit opzicht in navolging van de Hoge Raad, bij het onderzoek naar een individuele en buitensporige last ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de gehele financiële situatie van belanghebbende, en daarbij het inkomen uit werk en woning in het jaar 2015 als belangrijk aanknopingspunt heeft gehanteerd.
2.5.2
In zoverre faalt ook dit middel. De heffing van box 3 maakt deel uit van de voor het desbetreffende jaar opgelegde aanslag IB/PVV. Het Hof had dus te onderzoeken of die aanslag als geheel beschouwd belanghebbende confronteert met een individuele en buitensporige last, welke vraag moet worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene.
2.6
Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.7
Het hiervoor overwogene brengt mee dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2020.
ECLI:NL:HR:2019:816, ECLI:NL:HR:2019:817, ECLI:NL:HR:2019:911, ECLI:NL:HR:2019:912, ECLI:NL:HR:2019:946, ECLI:NL:HR:2019:948 en ECLI:NL:HR:2019:949.
Vgl. HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, rechtsoverwegingen 2.10.2 en 2.10.3.
Vgl. HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, rechtsoverweging 2.4.4.
BELASTINGKAMER
Nummer 19/03944
Datum 29 mei 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2019, nr. 18/00775, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/657) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Niessen heeft op 27 februari 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2020:186).
Door zowel belanghebbende als de Staatssecretaris is schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2015 overeenkomstig de door belanghebbende gedane aangifte is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.138 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.803.
2.2
Bij het Hof was in geschil, voor zover in cassatie van belang, of de heffing van € 1.112 over het inkomen uit sparen en beleggen (hierna: box 3) in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP).
2.2.1
Bij de beoordeling van dat geschil heeft het Hof overwogen dat er ten aanzien van de gestelde schending van artikel 1 EP op stelselniveau met betrekking tot het jaar 2015 geen aanleiding is om anders te oordelen dan de Hoge Raad in zijn arresten van 14 juni 2019 heeft gedaan ten aanzien van de heffing van inkomstenbelasting over de jaren 2013 en 2014.Het Hof heeft met verwijzing naar deze arresten tot uitgangspunt genomen, samengevat, - dat er geen aanknopingspunt is om te oordelen dat de regeling van box 3 als zodanig niet aan de daaraan ingevolge artikel 1 EP te stellen maatstaven voldoet, maar dat de heffing van box 3 voor een bepaald jaar op stelselniveau met die verdragsbepaling in strijd kan komen indien komt vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, worden geconfronteerd met een buitensporig zware last;- dat ook voor het jaar 2015 op stelselniveau geldt dat dit eertijds door de wetgever voor een langs reeks van jaren veronderstelde rendement voor belastingplichtigen niet haalbaar was zonder daar (veel) risico voor te hoeven nemen, en dat de heffing van box 3 op stelselniveau, mede gelet op het toepasselijke tarief, een schending van artikel 1 EP oplevert indien het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement lager is dan 1,2 procent;- dat een dergelijke schending op stelselniveau een rechtstekort vormt waarin niet kan worden voorzien zonder op dat niveau keuzes te maken die niet voldoende duidelijk uit het wettelijk stelsel zijn af te leiden, en dat voor ingrijpen door de rechter in beginsel geen plaats is, tenzij een individuele belastingplichtige wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, en- dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last, de gevolgen van de heffing van box 3 moeten worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene waarbij het inkomen uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang een belangrijk aanknopingspunt is.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van een individuele en buitensporige last, gezien diens inkomen uit werk en woning in het onderhavige jaar. Daarbij heeft het Hof overwogen dat geen bijzonderheden zijn gebleken die hierop een ander licht werpen, en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de heffing van box 3 zwaarder wordt getroffen dan andere belastingplichtigen in een vergelijkbare financiële situatie met vergelijkbaar samengestelde vermogens van dezelfde omvang.
2.3
In cassatie bestrijdt belanghebbende dit oordeel met twee, in diverse onderdelen uiteen vallende, middelen.
2.4.1
In het eerste middel wordt onder meer betoogd dat de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad, en dus ook de nu bestreden uitspraak van het Hof, onjuist zijn omdat niet is onderzocht of het zonder (veel) risico’s nominaal haalbare rendement in de desbetreffende belastingjaren daadwerkelijk lager is geweest dan 1,2 procent, en dus niet is vastgesteld of op stelselniveau daadwerkelijk sprake is van een schending van artikel 1 EP. Voorts bevat het middel de stelling dat een effectieve bescherming van het door deze verdragsbepaling beschermde eigendomsrecht meebrengt dat het Hof de in deze procedure bestreden aanslag had moeten vernietigen voor zover het de heffing van box 3 betreft. Dat volgt, aldus nog steeds het middel, ook uit artikel 94 Grondwet, ingevolge welke bepaling een nationaal wettelijk voorschrift buiten toepassing moet blijven indien die toepassing onverenigbaar is met een verdragsbepaling.
2.4.2
Het middel faalt in zoverre. De gestelde schending van artikel 1 EP kenmerkt zich hierdoor dat zij afhankelijk is van een oordeel over een veronderstelling (ten aanzien van het op sparen en beleggen te behalen rendement) waarop het nationale wettelijk voorschrift berust. Indien de heffing van box 3 op stelselniveau een schending van artikel 1 EP oplevert, gaat daarmee een rechtstekort gepaard waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken. Deze keuzes zijn niet voldoende duidelijk uit het stelsel van de wet af te leiden. Dan past de rechter ten opzichte van de wetgever terughoudendheid bij het voorzien in zo’n rechtstekort op stelselniveau. Betreft het een schending in een geval waarin een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, dan dient de rechter in dat geval in het rechtstekort te voorzien.Artikel 94 Grondwet bepaalt dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Anders dan het middel betoogt, volgt uit artikel 94 Grondwet niet dat de belastingrechter de wettelijke regeling van box 3 buiten toepassing moet laten in een geval waarin de belastingrechter niet vaststelt dat een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last en waarin zich dus niet voordoet dat de toepassing van die wettelijke regeling niet verenigbaar is met artikel 1 EP.
2.5.1
In het tweede middel wordt onder meer betoogd dat het Hof, ook in dit opzicht in navolging van de Hoge Raad, bij het onderzoek naar een individuele en buitensporige last ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de gehele financiële situatie van belanghebbende, en daarbij het inkomen uit werk en woning in het jaar 2015 als belangrijk aanknopingspunt heeft gehanteerd.
2.5.2
In zoverre faalt ook dit middel. De heffing van box 3 maakt deel uit van de voor het desbetreffende jaar opgelegde aanslag IB/PVV. Het Hof had dus te onderzoeken of die aanslag als geheel beschouwd belanghebbende confronteert met een individuele en buitensporige last, welke vraag moet worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene.
2.6
Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.7
Het hiervoor overwogene brengt mee dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2020.
ECLI:NL:HR:2019:816, ECLI:NL:HR:2019:817, ECLI:NL:HR:2019:911, ECLI:NL:HR:2019:912, ECLI:NL:HR:2019:946, ECLI:NL:HR:2019:948 en ECLI:NL:HR:2019:949.
Vgl. HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, rechtsoverwegingen 2.10.2 en 2.10.3.
Vgl. HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, rechtsoverweging 2.4.4.