Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:588
2020-04-03
Civiel recht; Ondernemingsrecht
18/04301
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2020:588 → ECLI:NL:PHR:2019:1345 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Ondernemingsrecht. Pandrecht op aandelen, stemrecht overgegaan op pandhouder (art. 2:198 lid 3 BW). Vordering dat stemrecht weer op aandeelhouder overgaat (art. 2:342 BW); heeft pandhouder door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig geschaad dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat hij het stemrecht blijft uitoefenen? Om wiens 'gedragingen' gaat het? Doel overgang stemrecht aan pandhouder. Motiveringsklachten.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (7)
- ECLI:NL:PHR:2026:893 Parket bij de Hoge Raad 18-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2021:272 Parket bij de Hoge Raad 19-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:925 Parket bij de Hoge Raad 09-10-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:450 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:450 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:450 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:450 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (2.396 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 18/04301
Datum 3 april 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser],wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk,
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: B.I. Kraaipoel,
tegen
ROYAL BANK OF SCOTLAND PLC,gevestigd te Edinburgh, Verenigd Koninkrijk,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: RBS,
advocaten: J.W.H. van Wijk en G.C. Nieuwland.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/13/585773 / HA ZA 15-406 van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2015 en 4 mei 2016;
het arrest in de zaak 200.213.190/01 OK van de ondernemingskamer van 10 juli 2018.
[eiser] heeft tegen het arrest van de ondernemingskamer beroep in cassatie ingesteld.
RBS heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor RBS toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van de ondernemingskamer beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van RBS begroot op € 865,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 3 april 2020.
CIVIELE KAMER
Nummer 18/04301
Datum 3 april 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser],wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk,
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: B.I. Kraaipoel,
tegen
ROYAL BANK OF SCOTLAND PLC,gevestigd te Edinburgh, Verenigd Koninkrijk,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: RBS,
advocaten: J.W.H. van Wijk en G.C. Nieuwland.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/13/585773 / HA ZA 15-406 van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2015 en 4 mei 2016;
het arrest in de zaak 200.213.190/01 OK van de ondernemingskamer van 10 juli 2018.
[eiser] heeft tegen het arrest van de ondernemingskamer beroep in cassatie ingesteld.
RBS heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor RBS toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van de ondernemingskamer beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van RBS begroot op € 865,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 3 april 2020.