Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:495
2020-03-24
Strafrecht
18/04771
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2020:495 → ECLI:NL:PHR:2020:84
Inhoudsindicatie
Medeplegen aanwezig hebben van amfetamine, art. 2.C Opiumwet. Kon hof gelet op verweer van raadsman (beroep op bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering, omdat verder rechercheren niet was toegestaan, nu geen sprake was van redelijk vermoeden van schuld) volstaan met opgave van b.m. a.b.i. art. 359.3 Sv? 2. Heeft hof verzuimd gemotiveerd te beslissen op namens verdachte gevoerd verweer m.b.t. redelijke termijn? HR: art. 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (10)
- ECLI:NL:PHR:2025:910 Parket bij de Hoge Raad 04-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:311 Parket bij de Hoge Raad 23-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1066 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:687 Parket bij de Hoge Raad 11-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:688 Parket bij de Hoge Raad 11-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:872 Parket bij de Hoge Raad 11-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:183 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1164 Parket bij de Hoge Raad 13-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:664 Parket bij de Hoge Raad 05-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2020:979 Parket bij de Hoge Raad 08-09-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (1.736 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/04771
Datum 24 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 5 november 2018, nummer 20/003588-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft O.J. Much, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020.
STRAFKAMER
Nummer 18/04771
Datum 24 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 5 november 2018, nummer 20/003588-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft O.J. Much, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020.