Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:267
2020-02-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/02860
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 6:15 Awb, niet doorgezonden beroepschrift, beroep niet-ontvankelijk?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (6)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1712 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-03-2025
- ECLI:NL:HR:2025:358 Hoge Raad 07-03-2025
- ECLI:NL:OGEAA:2024:42 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 15-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6101 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4815 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:6422 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-08-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.629 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02860
Datum 14 februari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] , Turkije (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 27 mei 2019, nr. SGR 18/7912 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 22 maart 2019 betreffende een voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klacht
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Met dagtekening 15 oktober 2018 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. Bij brief van 30 oktober 2018 heeft belanghebbende bij de Inspecteur bezwaar gemaakt tegen die uitspraak (hierna: de brief van 30 oktober 2018). Op 30 november 2018 heeft belanghebbende digitaal beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
2.1.2
De Rechtbank heeft geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Het argument dat belanghebbende niets heeft gehoord naar aanleiding van de brief van 30 oktober 2018 laat onverlet dat in de uitspraak op bezwaar stond vermeld dat binnen zes weken beroep kon worden ingesteld, aldus de Rechtbank.
2.1.3
Het verzet van belanghebbende tegen het in 2.1.2 weergegeven oordeel is ongegrond verklaard.
2.2.1
Bij de beoordeling van de klacht tegen het in 2.1.3 vermelde oordeel is uitgangspunt, bij gebreke van aanwijzingen in de gedingstukken voor het tegendeel, dat de Rechtbank de brief van 30 oktober 2018 van belanghebbende aan de Inspecteur niet heeft aangemerkt als een bezwaarschrift dat in plaats van een beroepschrift is ingediend en als beroepschrift aan de Rechtbank had moeten worden doorgezonden (artikel 6:15 Awb).
2.2.2
Aan de inhoud van de brief van 30 oktober 2018 kon de Rechtbank niet voorbijgaan. Daarbij is van belang dat uit de gedingstukken blijkt dat de brief behoort tot de stukken die door zowel de Inspecteur als belanghebbende in beroep aan de Rechtbank zijn overgelegd. Deze brief laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende het niet eens is met de uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2018. Artikel 6:15 Awb brengt mee dat de Inspecteur de brief van 30 oktober 2018 als beroepschrift had moeten aanmerken en als zodanig aan de Rechtbank had moeten doorzenden.
Het oordeel van de Rechtbank dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend is onbegrijpelijk, aangezien de brief van 30 oktober 2018 als beroepschrift had moeten worden behandeld. De klacht tegen de ongegrondverklaring van het verzet is gegrond.
2.3
Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, kan de bestreden uitspraak op verzet niet in stand blijven. De Hoge Raad kan het verzet afdoen. Het verzet dient gegrond te worden verklaard.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank van 27 mei 2019,
- verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 maart 2019 gegrond,
- verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek voortzet in de stand waarin het zich bevond, en
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2020.
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02860
Datum 14 februari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] , Turkije (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 27 mei 2019, nr. SGR 18/7912 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 22 maart 2019 betreffende een voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klacht
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Met dagtekening 15 oktober 2018 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. Bij brief van 30 oktober 2018 heeft belanghebbende bij de Inspecteur bezwaar gemaakt tegen die uitspraak (hierna: de brief van 30 oktober 2018). Op 30 november 2018 heeft belanghebbende digitaal beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
2.1.2
De Rechtbank heeft geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Het argument dat belanghebbende niets heeft gehoord naar aanleiding van de brief van 30 oktober 2018 laat onverlet dat in de uitspraak op bezwaar stond vermeld dat binnen zes weken beroep kon worden ingesteld, aldus de Rechtbank.
2.1.3
Het verzet van belanghebbende tegen het in 2.1.2 weergegeven oordeel is ongegrond verklaard.
2.2.1
Bij de beoordeling van de klacht tegen het in 2.1.3 vermelde oordeel is uitgangspunt, bij gebreke van aanwijzingen in de gedingstukken voor het tegendeel, dat de Rechtbank de brief van 30 oktober 2018 van belanghebbende aan de Inspecteur niet heeft aangemerkt als een bezwaarschrift dat in plaats van een beroepschrift is ingediend en als beroepschrift aan de Rechtbank had moeten worden doorgezonden (artikel 6:15 Awb).
2.2.2
Aan de inhoud van de brief van 30 oktober 2018 kon de Rechtbank niet voorbijgaan. Daarbij is van belang dat uit de gedingstukken blijkt dat de brief behoort tot de stukken die door zowel de Inspecteur als belanghebbende in beroep aan de Rechtbank zijn overgelegd. Deze brief laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende het niet eens is met de uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2018. Artikel 6:15 Awb brengt mee dat de Inspecteur de brief van 30 oktober 2018 als beroepschrift had moeten aanmerken en als zodanig aan de Rechtbank had moeten doorzenden.
Het oordeel van de Rechtbank dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend is onbegrijpelijk, aangezien de brief van 30 oktober 2018 als beroepschrift had moeten worden behandeld. De klacht tegen de ongegrondverklaring van het verzet is gegrond.
2.3
Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, kan de bestreden uitspraak op verzet niet in stand blijven. De Hoge Raad kan het verzet afdoen. Het verzet dient gegrond te worden verklaard.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank van 27 mei 2019,
- verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 maart 2019 gegrond,
- verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek voortzet in de stand waarin het zich bevond, en
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2020.