Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:219
2020-02-11
Strafrecht
19/01290
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2020:219 → ECLI:NL:PHR:2019:1317
Inhoudsindicatie
Beklag a.b.i. art. 164.8 WVW 1994 tegen inhouding vaarbewijs ex art. art. 35a.4 Scheepvaartverkeerswet. HR: Op de gronden vermeld in de CAG zal HR cassatieberoep van klager niet in behandeling nemen. CAG: Uit ingewonnen inlichtingen blijkt dat OvJ vaarbewijs aan klager heeft teruggegeven. Deze teruggave vindt zijn grondslag in art. 35a.3.c Scheepsvaartverkeerswet. Hierin is bepaald dat vaarbewijs onverwijld wordt teruggegeven indien onderzoek strafzaak ttz. niet binnen 26 weken na dag van invordering is aangevangen. Dit brengt mee dat klager geen belang meer heeft bij cassatieberoep, nu van inhouding van vaarbewijs ex art. 35a.2 Scheepvaartverkeerswet geen sprake meer is. Klager n-o.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2022:688 Parket bij de Hoge Raad 30-08-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (1.569 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/01290
Datum 11 februari 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2019, nummer RK 19/000606, op een klaagschrift als bedoeld in art. 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klager.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft M.J. van Dam, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de klager in zijn cassatieberoep.
De raadsman van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal, zal de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling nemen.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.
STRAFKAMER
Nummer 19/01290
Datum 11 februari 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2019, nummer RK 19/000606, op een klaagschrift als bedoeld in art. 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klager.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft M.J. van Dam, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de klager in zijn cassatieberoep.
De raadsman van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal, zal de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling nemen.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.