Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2020:1604

2020-10-13 Strafrecht 16/02722
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2020-10-13
Publicatiedatum
2020-10-08
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Herziening
Zaaknummer
16/02722
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | SR-Updates.nl 2020-0325 | RvdW 2020/1136

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Herziening n.a.v. aanvraag AG bij HR. Rosmalense flatmoord. Doodslag op vriendin door met mes haar keel door te snijden, art. 287 Sr. Aanvullende vordering AG bij HR na tussenarrest, waarin HR heeft geoordeeld dat het noodzakelijk is dat deskundigen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over na ‘s hofs arrest opgemaakte rapporten van andere deskundigen waarop vordering tot herziening is gebaseerd en dat nader onderzoek wordt gedaan naar waandenkbeelden van slachtoffer. Gelet op door AG verricht onderzoek en daarop betrekking hebbende stukken, zoals besproken in aanvullende vordering, moet wat in (aanvullende) vordering wordt aangevoerd m.b.t. (i) mededelingen van huisarts, (ii) deskundigenrapportages omtrent bloedspoorpatronen en (iii) deskundigenrapportages van forensisch-geneeskundige aard over verwondingen van slachtoffer - tezamen en in onderling verband beschouwd - worden aangemerkt als gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv. HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaak naar hof. Vervolg op ECLI:NL:HR:2018:2095 (tussenarrest herziening) en ECLI:NL:HR:2008:BF0832 (strafzaak).

Citeert (1)

Geciteerd door (8)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.145 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER





Nummer S 16/02722 H

Datum 13 oktober 2020


ARREST







op een aanvraag van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 juni 2007, nummer 20/000104-05, gewezen in de strafzaak tegen:




[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.







1Waar het in deze zaak over gaat
Deze strafzaak staat ook wel bekend als de 'Rosmalense flatmoord'. Op 10 april 2000 werd het levenloze lichaam van [slachtoffer], de partner van de gewezen verdachte, aangetroffen in het halletje van hun gemeenschappelijke flatwoning. Uit onderzoek is destijds gebleken dat de rechter halsslagader van [slachtoffer] was doorgesneden. Bij het slachtoffer lag een mes. Op de broek en schoenen van de gewezen verdachte werd bloed aangetroffen. Het hof heeft op basis van DNA-onderzoek vastgesteld dat dit bloed afkomstig is van [slachtoffer]. Het hof heeft bewezenverklaard dat de gewezen verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door haar keel met een mes door te snijden.




2Procesverloop

2.1
De Hoge Raad heeft in deze zaak naar aanleiding van de vordering tot herziening van de advocaat-generaal van 12 oktober 2018 een tussenarrest gewezen op 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2095. De Hoge Raad heeft daarin geoordeeld dat het noodzakelijk is dat de bloedspoorpatroondeskundige ing. R. Eikelenboom en forensisch patholoog drs. S.J.M. Schieveld in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de na het arrest van het hof opgemaakte rapporten van bloedspoorpatroondeskundige ing. M.J. van der Scheer en forensisch patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe waarop de vordering tot herziening is gebaseerd. Daarnaast heeft de Hoge Raad in zijn tussenarrest geoordeeld dat het noodzakelijk is dat nader onderzoek wordt gedaan naar de in dat tussenarrest onder 6.3.1 vermelde waandenkbeelden van het slachtoffer. De Hoge Raad heeft daartoe de stukken in handen van de advocaat-generaal gesteld.



2.2
Bij aanvullende vordering van 7 juli 2020 heeft de advocaat-generaal verslag gedaan van zijn voortgezette onderzoek. De (aanvullende) vordering strekt tot herziening van het arrest van het hof wat betreft feit 1 en tot verwijzing van de strafzaak naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaak in zoverre zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als voorzien in artikel 472 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).





3Nadere beoordeling van de aanvraag

3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.



3.2
Gelet op het door de advocaat-generaal verrichte onderzoek en de daarop betrekking hebbende stukken, zoals besproken in de aanvullende vordering onder 33 tot en met 126, moet wat in de (aanvullende) vordering wordt aangevoerd met betrekking tot (i) de mededelingen van de huisarts [betrokkene 2], (ii), de deskundigenrapportages omtrent de bloedspoorpatronen en (iii) de deskundigenrapportages van forensisch-geneeskundige aard over de verwondingen van [slachtoffer] – tezamen en in onderling verband beschouwd – worden aangemerkt als gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is.





4Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
- beveelt, voor zover nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het gerechtshof, voor zover dat betrekking heeft op het onder 1 tenlastegelegde;
- verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak wat betreft het onder 1 tenlastegelegde op de voet van artikel 472 lid 2 Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij op de voet van artikel 478 lid 2 Sv mede voor het onder 2 bewezenverklaarde de straf te bepalen.



Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend, M.J. Borgers, M.T. Boerlage en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2020.