Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:1528
2020-10-16
Bestuursrecht; Belastingrecht
18/03720
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2020:1528 → ECLI:NL:GHARL:2018:6489
Inhoudsindicatie
BPM; artt. 9 en 10 Wet bpm; art. 110 VWEU; onderscheid nieuwe of gebruikte personenauto; eerdere registratie in buitenland; kilometerstand.
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2017:79 Hoge Raad 27-01-2017
- ECLI:NL:HR:2009:BI5100 Hoge Raad 29-05-2009
- ECLI:NL:HR:2017:78 Hoge Raad 27-01-2017
- ECLI:NL:HR:2017:78 Hoge Raad 27-01-2017
- ECLI:NL:HR:2020:821 Hoge Raad 01-05-2020
Geciteerd door (59)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1815 Gerechtshof Den Haag 30-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1815 Gerechtshof Den Haag 30-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1815 Gerechtshof Den Haag 30-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:173 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:379 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:379 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2024:5495 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-08-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5087 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-08-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:847 Gerechtshof Den Haag 23-05-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:885 Gerechtshof Den Haag 25-04-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:885 Gerechtshof Den Haag 25-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2278 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1793 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1795 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-03-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6104 Rechtbank Gelderland 28-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1511 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1511 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16693 Rechtbank Den Haag 12-09-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:4945 Rechtbank Noord-Holland 23-05-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:5068 Rechtbank Noord-Holland 01-05-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:5068 Rechtbank Noord-Holland 01-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2371 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2373 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2217 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2217 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-04-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:2453 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:2453 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1906 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1111 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-02-2023
- ECLI:NL:HR:2022:1277 Hoge Raad 23-09-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3301 Rechtbank Noord-Nederland 09-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:6853 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-08-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:6853 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-08-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1898 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-06-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1303 Rechtbank Noord-Nederland 22-04-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1303 Rechtbank Noord-Nederland 22-04-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1303 Rechtbank Noord-Nederland 22-04-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1276 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-02-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:837 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:100 Parket bij de Hoge Raad 03-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:100 Parket bij de Hoge Raad 03-02-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2021:5457 Rechtbank Noord-Nederland 23-12-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:5459 Rechtbank Noord-Nederland 23-12-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:4326 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-12-2021
- ECLI:NL:HR:2021:1672 Hoge Raad 12-11-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:5705 Rechtbank Gelderland 25-10-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7821 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-08-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3240 Rechtbank Noord-Nederland 29-07-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:5874 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:4943 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-05-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:4943 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-05-2021
- ECLI:NL:HR:2021:415 Hoge Raad 26-03-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:935 Rechtbank Noord-Nederland 25-03-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:1888 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-03-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:1888 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-03-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4108 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3842 Gerechtshof Amsterdam 17-12-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:10182 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-12-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1640 Hoge Raad 16-10-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (12.158 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 18/03720
Datum 16 oktober 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juli 2018, nr. 17/00465, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 15/5945) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 14 april 2014 voor tien personenauto’s (hierna: de auto’s), afkomstig uit Duitsland, op aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan met het oog op het registreren ervan in het Nederlandse kentekenregister. De registratie van de auto’s heeft vervolgens plaatsgevonden in de periode 1 mei 2014 tot en met 15 oktober 2014.
2.1.2
Voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland waren de auto’s in november 2013 dan wel in december 2013 als nieuwe personenauto’s geregistreerd in het Duitse kentekenregister.
2.1.3
Toen belanghebbende de hiervoor in 2.1.1 bedoelde aangiften deed, varieerden de kilometerstanden van de auto’s van 1 tot en met 74.
2.1.4
Belanghebbende heeft zich bij het doen van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde aangiften op het standpunt gesteld dat de auto’s - vanwege de eerdere registratie in 2013 in Duitsland - gebruikte personenauto’s zijn in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet). Zij heeft artikel 10b van de Wet toegepast en het voor de auto’s in het jaar 2013 geldende tarief van bpm gehanteerd. In dat jaar was voor personenauto’s als de onderhavige - vanwege hun (lage) CO2-uitstoot - geen bpm verschuldigd.
2.1.5
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto’s voor de heffing van bpm niet als gebruikte personenauto’s moeten worden beschouwd. Gelet op de datum van registratie in het Nederlandse kentekenregister, die voor elk van de auto’s in 2014 is gelegen, is volgens de Inspecteur het in het jaar 2014 geldende tarief van toepassing. Dat betekent dat voor elke auto € 420 aan bpm is verschuldigd. De Inspecteur heeft daarom de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.
2.2.1
Voor het Hof was onder meer in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur de naheffingsaanslag in overeenstemming met artikel 110 VWEU heeft opgelegd door ervan uit te gaan dat de auto’s niet kunnen worden aangemerkt als een “tweedehands” personenauto zoals bedoeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over art. 110 VWEU.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat uit de door belanghebbende vermelde arresten van het Hof van Justitie volgt dat in het kader van de beoordeling van de verenigbaarheid van een ter zake van motorvoertuigen geheven registratiebelasting met artikel 110 VWEU, doorslaggevende betekenis toekomt aan het gebruik dat voorafgaand aan de registratie in Nederland van het motorvoertuig is gemaakt in de lidstaat waaruit het voertuig afkomstig is, en dat de datum van de eerste registratie in die lidstaat niet van belang is. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:79, heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat het feit dat de auto’s eerder in Duitsland geregistreerd zijn geweest, niet volstaat om de auto’s voor de heffing van bpm niet meer als een nieuwe personenauto aan te merken.
2.3
De middelen 1 tot en met 3 zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Zij betogen dat door toepassing van het tarief van 2014 ter zake van de registratie van de auto’s in het Nederlandse kentekenregister, in strijd met artikel 110 VWEU, meer bpm wordt geheven dan het restantbedrag aan bpm dat geacht wordt te zijn begrepen in de waarde van gelijksoortige gebruikte personenauto’s die in Nederland in 2013 voor het eerst zijn geregistreerd.
2.4.1
Op grond van artikel 1 van de Wet wordt voor een personenauto bpm verschuldigd ter zake van de registratie ervan in het Nederlandse kentekenregister dan wel, voor een niet geregistreerde personenauto die feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorvoertuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Op grond van artikel 9, lid 1, van de Wet hangt voor personenauto’s de hoogte van de verschuldigde bpm af van de mate van CO2-uitstoot. De waarde van de personenauto noch een waardedaling ten opzichte van de catalogusprijs als bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet speelt bij toepassing van artikel 9, lid 1, van de Wet een rol. Indien de personenauto ten tijde van het belastbare feit eerder gebruikt is geweest, wordt het bij die personenauto behorende bedrag aan bpm, dat op de voet van artikel 9, lid 1, van de Wet is bepaald op basis van de mate van CO2-uitstoot, berekend met inachtneming van een vermindering (artikel 10, lid 1, van de Wet). Die vermindering is de afschrijving. Deze afschrijving wordt uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet, en de bpm op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen (artikel 10, lid 2, van de Wet). Artikel 10, lid 2, van de Wet strekt ertoe te bewerkstelligen dat op gelijksoortige gebruikte motorvoertuigen de bpm in gelijke mate drukt. Voor dat doel is ten tijde van het belastbare feit een waardedaling van de personenauto ten opzichte van de catalogusprijs als bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet wel van belang.
2.4.2
Met een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet is bedoeld de personenauto die in het buitenland geregistreerd is geweest met het oog op toelating op de weg en die ook daadwerkelijk aldaar op de weg in gebruik is geweest. Daarom blijft de personenauto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks op de weg is gebruikt, voor de toepassing van artikel 10, lid 1, van de Wet aangemerkt als een nieuwe personenauto. Dat een personenauto door de (ver)koper daadwerkelijk in het buitenland op de weg in gebruik is geweest, valt op te maken uit het aantal gereden kilometers van de auto. De omstandigheden dat een personenauto eerder in een andere lidstaat geregistreerd is geweest, dat sinds de vervaardiging van de auto zodanige tijd is verstreken dat de fabrieksgarantie is verlopen, dat het gaat om een verouderd model personenauto, of dat een personenauto voorafgaande aan de eerste ingebruikneming op de weg schade in welke vorm dan ook heeft opgelopen, kunnen noch op zichzelf, noch tezamen de conclusie rechtvaardigen dat die personenauto daadwerkelijk op de weg in gebruik is geweest. Die omstandigheden kunnen weliswaar voor een ongebruikte personenauto ten opzichte van de catalogusprijs als bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet een waardedaling betekenen, maar dat heeft geen invloed op de hoogte van de verschuldigde bpm, zo volgt uit artikel 9, lid 1, van de Wet.
2.4.3
Bij toepassing van artikel 110 VWEU komt het erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstig motorvoertuig niet méér bpm wordt geheven dan ter zake van gelijksoortige motorvoertuigen die in Nederland op het tijdstip van de registratie in de handel zijn. Het is niet in strijd met artikel 110 VWEU om bij de heffing van een registratiebelasting onderscheid te maken tussen ongebruikte motorvoertuigen en gebruikte motorvoertuigen, mits binnen de desbetreffende groep de registratiebelasting op gelijksoortige motorvoertuigen in gelijke mate drukt. Wanneer het gelijksoortige motorvoertuig op de Nederlandse handelsmarkt voorafgaand aan de heffing van bpm een motorvoertuig is dat niet of nauwelijks eerder op de weg in gebruik is geweest en daarom niet als een gebruikt motorvoertuig wordt aangemerkt, kan de heffing van bpm bij de mededinging tussen dat gelijksoortige motorvoertuig en het desbetreffende motorvoertuig dat is overgebracht vanuit een andere lidstaat geen rol spelen. Immers, het op de Nederlandse handelsmarkt aangeboden, gelijksoortige motorvoertuig is een nieuw motorvoertuig ter zake waarvan nog geen bpm is geheven. In dat geval zal bij registratie in het Nederlandse kentekenregister van een nieuwe personenauto die is overgebracht vanuit een andere lidstaat geen hogere binnenlandse belasting (bpm) worden geheven dan die welke, al dan niet rechtstreeks, ter zake van die gelijksoortige personenauto zal worden geheven.
2.4.4
De gelijksoortige motorvoertuigen waarmee de auto’s in het kader van artikel 110 VWEU moeten worden vergeleken, zijn dus personenauto’s die voorafgaand aan het belastbare feit niet of nauwelijks eerder op de weg in gebruik zijn geweest. De ter zake van de registratie van een nieuwe personenauto verschuldigde bpm wordt bepaald ten tijde van die registratie in het Nederlandse kentekenregister aan de hand van het alsdan geldende tarief. Zoals hiervoor in 2.1.1 is weergegeven, zijn de auto’s tussen 1 mei 2014 en 15 oktober 2014 in Nederland geregistreerd. In die periode werd op grond van artikel 9, lid 1, van de Wet ter zake van alle in Nederland op de binnenlandse markt aangekochte nieuwe personenauto’s met dezelfde mate van CO2-uitstoot, bij de registratie ervan in het Nederlands kentekenregister, bpm geheven naar het tarief van 2014, ook indien deze waren vervaardigd in 2013 of nog eerder. Aangezien het hier gaat om een vergelijking tussen gelijksoortige nieuwe motorvoertuigen, is redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar dat de aldus verschuldigde heffing in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof van Justitie over de toepassing van artikel 110 VWEU bij de heffing van een registratiebelasting op uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuigen.
2.4.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.2 tot en met 2.4.4 is overwogen, zijn de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof juist. De middelen 1 tot en met 3 falen in zoverre.
2.5
De overige klachten van de middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2020.
Vgl. HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5100, rechtsoverweging 3.3.3, en HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:78, rechtsoverweging 2.3.2.
Vgl. HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:78, rechtsoverweging 2.4.2, en HR 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:821, rechtsoverweging 3.2.
BELASTINGKAMER
Nummer 18/03720
Datum 16 oktober 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juli 2018, nr. 17/00465, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 15/5945) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 14 april 2014 voor tien personenauto’s (hierna: de auto’s), afkomstig uit Duitsland, op aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan met het oog op het registreren ervan in het Nederlandse kentekenregister. De registratie van de auto’s heeft vervolgens plaatsgevonden in de periode 1 mei 2014 tot en met 15 oktober 2014.
2.1.2
Voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland waren de auto’s in november 2013 dan wel in december 2013 als nieuwe personenauto’s geregistreerd in het Duitse kentekenregister.
2.1.3
Toen belanghebbende de hiervoor in 2.1.1 bedoelde aangiften deed, varieerden de kilometerstanden van de auto’s van 1 tot en met 74.
2.1.4
Belanghebbende heeft zich bij het doen van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde aangiften op het standpunt gesteld dat de auto’s - vanwege de eerdere registratie in 2013 in Duitsland - gebruikte personenauto’s zijn in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet). Zij heeft artikel 10b van de Wet toegepast en het voor de auto’s in het jaar 2013 geldende tarief van bpm gehanteerd. In dat jaar was voor personenauto’s als de onderhavige - vanwege hun (lage) CO2-uitstoot - geen bpm verschuldigd.
2.1.5
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto’s voor de heffing van bpm niet als gebruikte personenauto’s moeten worden beschouwd. Gelet op de datum van registratie in het Nederlandse kentekenregister, die voor elk van de auto’s in 2014 is gelegen, is volgens de Inspecteur het in het jaar 2014 geldende tarief van toepassing. Dat betekent dat voor elke auto € 420 aan bpm is verschuldigd. De Inspecteur heeft daarom de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.
2.2.1
Voor het Hof was onder meer in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur de naheffingsaanslag in overeenstemming met artikel 110 VWEU heeft opgelegd door ervan uit te gaan dat de auto’s niet kunnen worden aangemerkt als een “tweedehands” personenauto zoals bedoeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over art. 110 VWEU.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat uit de door belanghebbende vermelde arresten van het Hof van Justitie volgt dat in het kader van de beoordeling van de verenigbaarheid van een ter zake van motorvoertuigen geheven registratiebelasting met artikel 110 VWEU, doorslaggevende betekenis toekomt aan het gebruik dat voorafgaand aan de registratie in Nederland van het motorvoertuig is gemaakt in de lidstaat waaruit het voertuig afkomstig is, en dat de datum van de eerste registratie in die lidstaat niet van belang is. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:79, heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat het feit dat de auto’s eerder in Duitsland geregistreerd zijn geweest, niet volstaat om de auto’s voor de heffing van bpm niet meer als een nieuwe personenauto aan te merken.
2.3
De middelen 1 tot en met 3 zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Zij betogen dat door toepassing van het tarief van 2014 ter zake van de registratie van de auto’s in het Nederlandse kentekenregister, in strijd met artikel 110 VWEU, meer bpm wordt geheven dan het restantbedrag aan bpm dat geacht wordt te zijn begrepen in de waarde van gelijksoortige gebruikte personenauto’s die in Nederland in 2013 voor het eerst zijn geregistreerd.
2.4.1
Op grond van artikel 1 van de Wet wordt voor een personenauto bpm verschuldigd ter zake van de registratie ervan in het Nederlandse kentekenregister dan wel, voor een niet geregistreerde personenauto die feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorvoertuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Op grond van artikel 9, lid 1, van de Wet hangt voor personenauto’s de hoogte van de verschuldigde bpm af van de mate van CO2-uitstoot. De waarde van de personenauto noch een waardedaling ten opzichte van de catalogusprijs als bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet speelt bij toepassing van artikel 9, lid 1, van de Wet een rol. Indien de personenauto ten tijde van het belastbare feit eerder gebruikt is geweest, wordt het bij die personenauto behorende bedrag aan bpm, dat op de voet van artikel 9, lid 1, van de Wet is bepaald op basis van de mate van CO2-uitstoot, berekend met inachtneming van een vermindering (artikel 10, lid 1, van de Wet). Die vermindering is de afschrijving. Deze afschrijving wordt uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet, en de bpm op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen (artikel 10, lid 2, van de Wet). Artikel 10, lid 2, van de Wet strekt ertoe te bewerkstelligen dat op gelijksoortige gebruikte motorvoertuigen de bpm in gelijke mate drukt. Voor dat doel is ten tijde van het belastbare feit een waardedaling van de personenauto ten opzichte van de catalogusprijs als bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet wel van belang.
2.4.2
Met een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet is bedoeld de personenauto die in het buitenland geregistreerd is geweest met het oog op toelating op de weg en die ook daadwerkelijk aldaar op de weg in gebruik is geweest. Daarom blijft de personenauto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks op de weg is gebruikt, voor de toepassing van artikel 10, lid 1, van de Wet aangemerkt als een nieuwe personenauto. Dat een personenauto door de (ver)koper daadwerkelijk in het buitenland op de weg in gebruik is geweest, valt op te maken uit het aantal gereden kilometers van de auto. De omstandigheden dat een personenauto eerder in een andere lidstaat geregistreerd is geweest, dat sinds de vervaardiging van de auto zodanige tijd is verstreken dat de fabrieksgarantie is verlopen, dat het gaat om een verouderd model personenauto, of dat een personenauto voorafgaande aan de eerste ingebruikneming op de weg schade in welke vorm dan ook heeft opgelopen, kunnen noch op zichzelf, noch tezamen de conclusie rechtvaardigen dat die personenauto daadwerkelijk op de weg in gebruik is geweest. Die omstandigheden kunnen weliswaar voor een ongebruikte personenauto ten opzichte van de catalogusprijs als bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet een waardedaling betekenen, maar dat heeft geen invloed op de hoogte van de verschuldigde bpm, zo volgt uit artikel 9, lid 1, van de Wet.
2.4.3
Bij toepassing van artikel 110 VWEU komt het erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstig motorvoertuig niet méér bpm wordt geheven dan ter zake van gelijksoortige motorvoertuigen die in Nederland op het tijdstip van de registratie in de handel zijn. Het is niet in strijd met artikel 110 VWEU om bij de heffing van een registratiebelasting onderscheid te maken tussen ongebruikte motorvoertuigen en gebruikte motorvoertuigen, mits binnen de desbetreffende groep de registratiebelasting op gelijksoortige motorvoertuigen in gelijke mate drukt. Wanneer het gelijksoortige motorvoertuig op de Nederlandse handelsmarkt voorafgaand aan de heffing van bpm een motorvoertuig is dat niet of nauwelijks eerder op de weg in gebruik is geweest en daarom niet als een gebruikt motorvoertuig wordt aangemerkt, kan de heffing van bpm bij de mededinging tussen dat gelijksoortige motorvoertuig en het desbetreffende motorvoertuig dat is overgebracht vanuit een andere lidstaat geen rol spelen. Immers, het op de Nederlandse handelsmarkt aangeboden, gelijksoortige motorvoertuig is een nieuw motorvoertuig ter zake waarvan nog geen bpm is geheven. In dat geval zal bij registratie in het Nederlandse kentekenregister van een nieuwe personenauto die is overgebracht vanuit een andere lidstaat geen hogere binnenlandse belasting (bpm) worden geheven dan die welke, al dan niet rechtstreeks, ter zake van die gelijksoortige personenauto zal worden geheven.
2.4.4
De gelijksoortige motorvoertuigen waarmee de auto’s in het kader van artikel 110 VWEU moeten worden vergeleken, zijn dus personenauto’s die voorafgaand aan het belastbare feit niet of nauwelijks eerder op de weg in gebruik zijn geweest. De ter zake van de registratie van een nieuwe personenauto verschuldigde bpm wordt bepaald ten tijde van die registratie in het Nederlandse kentekenregister aan de hand van het alsdan geldende tarief. Zoals hiervoor in 2.1.1 is weergegeven, zijn de auto’s tussen 1 mei 2014 en 15 oktober 2014 in Nederland geregistreerd. In die periode werd op grond van artikel 9, lid 1, van de Wet ter zake van alle in Nederland op de binnenlandse markt aangekochte nieuwe personenauto’s met dezelfde mate van CO2-uitstoot, bij de registratie ervan in het Nederlands kentekenregister, bpm geheven naar het tarief van 2014, ook indien deze waren vervaardigd in 2013 of nog eerder. Aangezien het hier gaat om een vergelijking tussen gelijksoortige nieuwe motorvoertuigen, is redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar dat de aldus verschuldigde heffing in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof van Justitie over de toepassing van artikel 110 VWEU bij de heffing van een registratiebelasting op uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuigen.
2.4.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.2 tot en met 2.4.4 is overwogen, zijn de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof juist. De middelen 1 tot en met 3 falen in zoverre.
2.5
De overige klachten van de middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2020.
Vgl. HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5100, rechtsoverweging 3.3.3, en HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:78, rechtsoverweging 2.3.2.
Vgl. HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:78, rechtsoverweging 2.4.2, en HR 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:821, rechtsoverweging 3.2.